Hoofdstuk 1: De Gekke Toverlaars
Op een ochtend werd Lotte wakker in haar zachte bedje. Lotte was drie jaar en heel nieuwsgierig. Haar knuffel, Beer, zat naast haar. Beer kon niet praten, maar Lotte praatte toch graag tegen hem.
“Goedemorgen, Beer!” zei Lotte.
Beer giechelde niet, maar als hij kon lachen, zou hij dat zeker doen.
Mama kwam binnen. “Lotte, kijk eens wat ik heb gevonden!” zei ze. In haar hand hield ze een paar glinsterende schoenen.
“Wat zijn dat, mama?” vroeg Lotte met grote ogen.
“Toverlaarsjes,” zei mama. “Ze zijn speciaal! Wil je ze passen?”
Lotte knikte blij. Mama trok de toverlaarsjes aan Lotte's voetjes. De schoentjes voelden warm en een beetje plakkerig.
Opeens voelde Lotte iets kriebelen. Haar voeten begonnen vanzelf te wiebelen. “O-oh!” riep Lotte. “Mijn voetjes dansen!”
Beer keek verbaasd (voor zover een knuffelbeer verbaasd kan kijken).
Mama lachte. “Dat zijn de toverlaarsjes, schat!”
Hoofdstuk 2: De Zoektocht naar de Koekjesdoos
Plots hoorde Lotte een stemmetje vanuit haar kast. “Help! Help!”
Lotte keek. In de kast stond een pratende theepot. De theepot zwaaide met zijn deksel.
“Wie ben jij?” vroeg Lotte.
“Ik ben Thee-Tom!” riep de theepot. “Ik ben mijn koekjesdoos kwijt! Kun jij mij helpen zoeken?”
Lotte keek naar Beer. “Zullen we helpen?”
Beer knikte (of leek te knikken).
“Waar is je koekjesdoos, Thee-Tom?” vroeg Lotte.
Thee-Tom zuchtte. “Ik had hem... eh... naast het toverstapelbed gezet, maar toen ik nieste, sprong hij weg! Nu is hij spoorloos!”
Lotte lachte. “We zoeken samen!”
De toverlaarsjes wiebelden onder haar voeten. “Lotte, Lotte, hup, hup, hup!” riepen ze zachtjes.
Lotte sprong en hupte. Ze hupte door de kamer. Ze hupte onder het bed. Ze hupte op de stoel. Overal zocht ze, maar geen koekjesdoos.
“Misschien is de koekjesdoos verstopt,” zei Lotte.
Thee-Tom riep: “Misschien zit hij in de la van de lachende kast!”
Lotte liep naar de kast. “Kast, mag ik in je la kijken?”
De kast giechelde. “Alleen als je lacht!”
Lotte lachte. Beer lachte met haar mee (dat dacht ze tenminste). De kast deed zijn la open.
Binnenin lag... een zak vol sokken met stippen. Geen koekjesdoos.
“Hmm,” zei Lotte. “Geen koekjes hier.”
De toverlaarsjes begonnen te trillen. Ze riepen: “Naar de gang! Naar de gang!”
Lotte liep de gang op. Haar laarsjes gleden over de vloer. “Woehoe!” riep Lotte. Ze gleden zo snel, dat Lotte bijna omviel. Beer vloog uit haar handen, maar Lotte pakte hem snel weer op.
Hoofdstuk 3: Koekjesregen en Lachende Oren
In de gang stond een grote plant. Plots begon de plant te giechelen. “Hihi! Zoek je iets?”
Lotte knikte. “De koekjesdoos van Thee-Tom!”
De plant wiebelde met zijn bladeren. “Kijk eens onder mijn pot!”
Lotte bukte. Ze zag... een druppel water en een veer. Maar geen koekjesdoos.
“Waar is die doos nu toch?” vroeg Lotte.
Thee-Tom rolde achter haar aan. “Mijn koekjes... ik mis ze zo!”
Opeens begon de theepot te niezen. “Hatsjie!”
“Beer, pas op!” riep Lotte.
Beer rolde over de vloer. En toen, plotseling, viel er iets uit Beers buikje. Het was... de koekjesdoos!
Lotte lachte hard. “De koekjesdoos zat in Beer! Gekke Beer!”
Thee-Tom sprong van blijdschap op en neer. “Hoera! Hoera! Mijn koekjes!”
Lotte opende de doos. Maar in plaats van koekjes, kwamen er gekleurde snoepjes uit de lucht vallen. Ze vielen op Lotte's hoofd, op Beer en op Thee-Tom.
Lotte lachte nog harder. Thee-Tom zong: “Koekjesregen, koekjesregen, iedereen mag meedoen!”
De toverlaarsjes wiebelden en zongen ook: “Dansen, dansen, koekjes vangen!”
Beer kreeg een snoepje op zijn neus. Thee-Tom kreeg een snoepje in zijn tuit. Lotte kreeg een snoepje in haar hand. “Mmm, lekker!” zei ze.
De toverlaarsjes waren nu moe. “Tijd om te rusten,” zongen ze zachtjes.
Lotte knuffelde Beer. “Wat een gekke dag, hè Beer?”
Beer knikte (of leek te knikken).
Thee-Tom zei: “Dankjewel, Lotte. Jij bent de beste koekjeszoeker van de wereld!”
Lotte lachte. “Morgen zoeken we naar de snoepjesregenboog, goed?”
Iedereen giechelde. De laarsjes snurkten zachtjes.
En zo eindigde de gekke, vrolijke dag vol magie en koekjes. Lotte voelde zich blij, veilig en heel erg moe.
Slaap zacht, kleine avonturier.