Vosje Vlam rolde over het zachte mos. Zijn staart glom als een vlammetje in de zon. Hij had een idee. Een groot idee. Een speels idee.
"Ik ga een kasteel bouwen," zei Vosje tegen een eekhoorn. De eekhoorn knikte en at een noot. "Een kasteel van... schuim!" riep Vosje en hij lachte.
Schuim was overal. In de beek bubbelde het schuim als wolken. In de emmer bij het huis van Kat, lagen schuimrestjes. Het leek wel gek. Maar Vosje hield van gekke dingen.
Eerst klopte hij met zijn poten in het water. Plop, plop. Er kwam schuim. Hij nam een emmer. "Meer!" zei hij. De emmer vulde zich. Het schuim was wit en zacht. Het rook naar citroen en lente. "Mmm," zei Vosje en hij likte een piepklein beetje. Het smaakte naar zon.
Vosje bouwde een muurtje. Een klein muurtje van schuim. Het viel bijna om omdat de wind kwam spelen. Vosje lachte. "Sta stil," zei hij tegen de wind. De wind floot en streek door zijn oren. Hij hield het muurtje vast. Het hield. Het was plakkerig en zacht. Het voelde als een kussen.
Dorpelingen kwamen kijken. Muis met een mandje. Eend met natte voetjes. Een oude schildpad die altijd langzaam lachte. "Wat ga je maken?" vroeg Muis. "Een kasteel," zei Vosje. "Een kasteel van schuim, met torens en glijbanen." Iedereen klapte. Klap, klap, klap.
Vosje bouwde hoger. Hooger en hoger. Soms viel er een beetje schuim op iemands neus. "Och!" zei Eend, en ze piepte. Iedereen moest lachen. Het was een zachte lach. Geen boze lach. Een lach die zei: kom spelen.
Een toverhoed lag op een steen. Iemand had hem daar vergeten. Vosje zette de hoed op zijn kop. "Abracadabra," fluisterde hij zonder er erg in te hebben. Plots begon het schuim te zingen. Piepen, zoemen, een zacht deuntje. Vosje schrok een beetje en daarna giechelde hij hard.
Het schuim danste op zijn muurtjes. De schuimtorens maakten bochten. Een schuimgracht blies bellen. Bellen die plopten als kleine kussens op de grond. De bubbels waren licht en vrolijk. Ze sprongen en stuiterden. "Kijk!" riep Schildpad en hij klapte met zijn schild.
Er kwamen kleine rampjes. Een toren leunde scheef. Een glijbaan werd glad als ijs. Maar Vosje vond een oplossing. Hij vroeg hulp. "Help me!" zei hij. Iedereen kwam. Muis gooide kleine takjes om te steunen. Eend spatte water om meer schuim te maken. Schildpad duwde met zijn sterke poot. Samen hielpen ze. Samen lachten ze. Samen bouwden ze.
Het kasteel stond. Het was niet perfect. Het was gekrompen en bol. Het had een deur die piepte en een raam dat knipoogde. Maar het was warm van vrienden. Het was gevuld met gelach.
Die avond zaten ze binnen het schuimkasteel. Ze zongen zachtjes. Vosje stak een kaarsje op en de lichtjes fonkelden op het witte schuim. "Wat een kasteel," zei Vosje. Zijn ogen glommen. "Wat een vriendjes," zei hij.
De wind waaide nog even. Het kasteel kraakte maar bleef staan. Het was gemaakt van schuim en heel veel liefde. Iedereen voelde zich thuis. Ze sliepen en droomden van nieuwe gekke ideetjes. Het was een zachte nacht. Vol hoop, vol spel, vol glimlachen.