Op een ochtend zitten vier kleine jongens samen in de zandbak. Finn, Bas, Siem en Jip. Finn draagt altijd een grote toverhoed. Bas heeft altijd een houten lepel bij zich. Siem loopt overal met een klein boekje. Jip, die giechelt veel, knijpt een knalpaarse knikker in zijn hand.
Finn zegt: ‘We moeten de Gouden Slof vinden!'
Bas kijkt om zich heen. ‘Wat is de Gouden Slof?'
Siem bladert in zijn boekje. ‘De Gouden Slof is... een slof die kan zingen!'
Jip lacht. ‘Een zingende slof? Dat is gek!'
‘Ja,' zegt Finn plechtig. ‘En wie de slof vindt, mag kiezen wat we vanavond eten. Zelfs pannenkoeken met aardbeien!'
Iedereen roept: ‘Hoera!'
De jongens staan op. Samen stappen ze uit de zandbak. Finn wijst met zijn toverhoed. ‘Daarheen! De tuin in!'
Bas zwaait met zijn lepel. ‘Ik zie sporen!'
Siem kijkt in zijn boekje. ‘Let op de magische plas!'
Ze lopen. Het gras kietelt hun tenen. Overal liggen sprietjes, steentjes en een verdwaalde schep. Ze zien een plas met glinsterend water. Finn vraagt: ‘Durven we over de plas te springen?'
Bas knikt. ‘Met magische lepelspringkracht!'
Siem roept: ‘Pas op voor de waterkabouter!'
Jip lacht en springt. PLOF! Zijn knikker valt in de plas en spat water omhoog.
‘Dat is geen kabouter, dat is een knikker!' zegt Finn.
Iedereen lacht.
Nu kijken ze rond. ‘Waar is de slof?' vraagt Jip.
Bas prikt met zijn lepel in een hoopje bladeren. Alleen een worm komt piepen.
‘Nee, geen slof,' zegt Siem.
Dan ontdekken ze het schuurtje. De deur piept een beetje als Finn hem opent. Binnen staat het vol met emmers, bezems en een oude laars.
‘Is dat de Gouden Slof?' vraagt Bas.
Siem bladert in zijn boekje. ‘Nee, die slof kan niet zingen.'
Jip zegt: ‘Misschien moet je hem eerst kietelen!'
Finn kietelt de slof met een grassprietje. De slof zegt niks. Bas probeert het met zijn lepel. Toch geen liedje.
‘Misschien is de slof verlegen?' fluistert Siem.
Jip fluistert naar de slof: ‘Wil je zingen?'
Er klinkt een zachte nies! Maar geen liedje.
‘Misschien moeten we samen zingen,' zegt Finn.
Ze zingen allemaal tegelijk: ‘Slofje slofje, zing voor ons!'
Opeens rammelt de slof een beetje. Er schudt wat stof uit. Maar geen muziek.
‘Misschien is dit niet de echte slof,' zegt Bas teleurgesteld.
Dan kijkt Siem in zijn boekje. ‘Hier staat: de Gouden Slof is soms een slof, soms een schoen, soms een beetje... fantasie!'
‘Fantasie?' vraagt Finn.
‘Ja,' zegt Siem. ‘Alles wat we samen verzinnen, is magisch!'
‘Ieder voorwerp kan magisch zijn als we samen zijn,' zegt Bas.
Jip pakt zijn knikker. ‘Misschien is dit wel de Gouden Slof in knikkervorm!'
‘Ja!' zegt Finn. ‘En hij kan toveren als we samen spelen!'
‘Laat hem zingen!' roept Bas.
‘Doe je best, knikker!' fluistert Siem.
De knikker rolt van Jip's hand, stuitert op de grond en... PLING! Hij maakt een vrolijk geluidje. Iedereen klapt.
Finn steekt zijn toverhoed omhoog. ‘Nu weten we het! De Gouden Slof is niet één ding. Het is alles wat we samen doen!'
‘Met elkaar is alles bijzonder,' zegt Bas.
‘En nu mogen we allemaal kiezen wat we eten,' zegt Jip blij.
Siem lacht. ‘Dus... pannenkoeken met aardbeien, met knikkersaus!'
Iedereen lacht en doet alsof de knikker een pannenkoek is. Ze zingen samen een liedje: ‘Alles is magisch, als je samen bent!'
Plots verschijnt een glinsterende vlieg in de lucht. Ze zegt met een piepstem: ‘Volgens de oude profetie zou maar één kind winnen!'
Finn zwaait met zijn hoed. ‘Wij schrijven de profetie gewoon opnieuw!'
Bas roept: ‘De profetie zegt nu: wie samen speurt, wint samen plezier en pannenkoeken!'
Siem schrijft het op in zijn boekje. ‘Zo is het!'
Jip zegt tevreden: ‘En ze leefden allemaal vrolijk, knikkend en zingend, samen in de magische zandbak.'
De zon schijnt, iedereen lacht, en de jongens zijn gelukkig.