Hoofdstuk 1: De Gekke Glimlachdoos
Finn is drie jaar oud. Finn heeft kleine voeten, rode sokken en een grote glimlach. Finn woont in een huisje met een blauwe deur. Op een ochtend vindt Finn iets vreemds onder zijn bed. Het is een kleine, glanzende doos. De doos glimt groen, paars en geel tegelijk. Finn kijkt en zegt: “Wat is dit voor een doos?”
Plots springt zijn knuffel, Plop de pratende pinguïn, op het bed. Plop zegt: “Oei, Finn! Dat is een glimlachdoos! Die doet altijd iets geks!” Finn lacht en zegt: “Wat gebeurt er als ik hem openmaak?” Plop zwaait met zijn vleugels. “Misschien gaan er bananen uit vliegen! Of misschien gaan we zingen als kippen!”
Finn kijkt met grote ogen. “Zal ik het doen, Plop?” Plop knikt. “Doe maar, Finn. Maar hou je vast!” Finn opent de doos. Boem! Plots heeft Finn een grote, rode clownsneus op zijn gezicht. Plop begint te giechelen. “Ha ha! Finn, je lijkt op een tomaat!”
Finn lacht en zegt: “Jij ook, Plop!” Plop kijkt naar zichzelf, en ja hoor, hij heeft nu ook een rode clownsneus! Ze lachen samen hard. “Nog eens proberen?” vraagt Finn. Plop klapt in zijn vleugels. “Ja, nog eens!”
Hoofdstuk 2: Gekke Dingen Overal
Finn doet de doos weer open. Plots zijn er bubbels in de kamer. Grote, kleine, roze, blauwe bubbels. Ze zweven overal. Finn springt op het bed en zegt: “Ik vang de bubbels!” Plop springt ook, maar hij glijdt uit over een bubbel en landt op zijn buik. “Oei, dat was glad!” zegt Plop. Finn lacht. “Plop, jij bent een glij-pinguïn!”
Dan zegt Finn: “We proberen nog één keer!” Plop knikt. “Laat maar komen!” Finn doet de doos open. Hop! Finn heeft nu een staart als een eekhoorn. “Kijk, Plop, ik heb een staart!” Plop klapt weer in zijn vleugels. “En ik heb oren als een konijn!” Ze kijken naar elkaar en beginnen te giechelen. Finn zwaait zijn staart. Plop wiebelt met zijn oren.
Finn zegt: “Deze doos is gek!” Plop zegt: “Heel gek! Maar wel leuk!” Ze springen samen op het bed. De staart zwaait, de oren wiebelen, de bubbels springen. Finn roept: “Magie is grappig!” Plop roept: “Magie is gek!”
Hoofdstuk 3: Alles Terug Normaal?
Finn kijkt naar de doos. “Plop, wat gebeurt er als ik de doos weer dicht doe?” Plop denkt even na. “Misschien gaat alles weer gewoon.” Finn lacht. “Misschien wel. Misschien niet!” Finn doet de doos dicht. De staart is weg, de oren zijn weg, de bubbels zijn weg. Maar... de clownsneuzen zijn er nog steeds!
Finn kijkt naar Plop. Plop kijkt naar Finn. “We zijn nog steeds tomaten!” zegt Finn. Plop lacht. “Misschien blijven we zo. Misschien ook niet!” Finn zegt: “Dat is niet erg. Tomaten zijn leuk!”
Finn en Plop gaan samen zitten. Ze lachen om hun neuzen. Finn zegt: “Elke dag magisch, elke dag gek!” Plop zegt: “Met jou is alles leuk, Finn!” Finn knuffelt Plop. “Met jou ook, Plop!”
En zo eindigt de dag. Finn en Plop, met rode neuzen, lachen nog lang. De doos ligt onder het bed. Misschien voor morgen. Misschien voor nog meer gekke magie. Maar nu is het tijd om te slapen. Slaap lekker, Finn. Slaap lekker, Plop.