Finn is drie jaar. Hij heeft een zusje, Noor, van vijf. En een grote broer, Sam, van zeven. Ze wonen in een warm huis. In de woonkamer liggen pluche dieren en blokken. Er wordt vaak geruzied. Niet boos. Meer gepiep en gekibbel.
"Die blokken zijn van mij!" zegt Finn, met zijn vuistje op tafel.
"Nee, ik bouw een toren!" roept Sam.
"Noor wil ook mee," zegt mama rustig.
Finn kijkt. Hij denkt. Zijn broek heeft een plekje jam. Zijn voeten wiebelen. Plots springt hij op. "Ik maak een regel!" zegt hij met een grote lach.
"Welke regel?" vraagt Noor, nieuwsgierig.
"Een superregel," zegt Finn. "Dagregel!"
"Dagregel?" lacht Sam.
"Ja!" Finn klopt in zijn handen. "Eerst spelen we vijf minuten samen. Daarna wisselen we. En als we lachen is alles goed. Boem!" Finn doet een dansje. "Plof!"
Noor klapt. Sam kijkt serieus. Dan lacht hij ook. "Okay," zegt hij. "Probeer het maar."
Ze beginnen. Vijf minuten samen bouwen. Sam legt de grote blok. Noor legt het dak. Finn zet een rood blok bovenop. "Kijk!" roept hij. De toren wiebelt. "Waai!" zegt Finn. De toren valt. "Oeps!" zegt Noor. Ze giechelen. "Ha!" zegt Finn en geeft iedereen een high five.
Na vijf minuten zegt Finn: "Tijd om te wisselen!" Ze ruilen blokken voor knuffels. Finn krijgt de blauwe beer. "Goeie ruil," zegt hij.
Soms willen ze weer hetzelfde speelgoed. Dan zegt Finn: "Lach-regel!" Ze moeten eerst één grap doen. Noor maakt een gek gezicht. Sam maakt een rare stem: "Boe-boe!" Finn proest het uit. Zo wordt zelfs ruzie grappig.
Mama kijkt en glimlacht. Papa komt en zegt: "Wat een slim plan." Hij geeft Finn een zoen op zijn voorhoofd. "Jij bent de regelmaker," zegt hij.
Aan het eind van de dag zitten ze op de bank. De blokken liggen verspreid. De knuffels slapen. Finn ligt tussen Noor en Sam. Ze zingen zachtjes een liedje. "Dagregel," fluistert Finn. Iedereen lacht zacht. De kleine ruzies zijn verdwenen. Alleen nog zachte ademhalingen. Alles is goed.