De kaart begint
Onder een groot appelblad wonen drie muisjes. Ze heten Miep, Pip en Puk. Hun nest is zacht en rond, met pluis en blaadjes. Het ruikt naar bos en bessen. De zon piept door het blad. “Pieeep,” zegt Pip. “Vandaag doen we iets leuks!”
“Ja,” zegt Miep. “We maken een missiekaart!” Puk klapt pootjes. “Missiekaart! Missiekaart!” Hij springt. Hop, hop.
Ze zoeken spullen. Miep rolt een dik, groen blad uit. Pip vindt een witte veer. Puk stampt op een bes. Plop! Rode drupjes. “Verf!” lacht Puk. “Mjam… nee, niet eten,” giechelt Miep.
Miep doopt de veer in bessensap. Ze tekent een slinger-lijn. Zwiep. “Dit is het pad,” zegt ze. Pip tekent rondjes. “Dit zijn stopplekken.” Puk maakt sterretjes. “En hier komt het eind.” Zijn snor trilt. Trrr.
“Welke missies doen we?” vraagt Pip. Zijn oogjes glimmen.
Miep denkt even na. “Missie één: tik tik op de ronde steen.” Pip wiebelt. “Missie twee: hop over het plasje. Splish, maar niet te nat.” Puk steekt een poot op. “Missie drie: vind de prikkel-dennenappel en draag 'm samen.” Miep tikt weer. “Missie vier: deel een dikke bes.” Pip grinnikt. “Missie vijf: dans drie springdansjes.” Puk zingt zacht. “Missie zes: zing het piep-piep-lied.” Miep tekent een hartje. “Missie zeven: knuffelpauze.” Pip tekent een zon. “Missie acht: rust in het nest.”
Ze kijken naar de kaart. Oooo. Het glimt van sap en zon. “Klaar?” vraagt Miep. “Klaar!” roepen Pip en Puk. Hun staartjes maken kringeltjes.
Kleine ruzietjes, grote giechels
Miep wil nog een streep tekenen. Pip wil ook. “Mijn beurt,” zegt Pip. “Nee, mijn beurt,” zegt Miep. Ze trekken heel zacht aan de veer. Zwiep! Een rode veeg over Puks neus. Puk schrikt even. Dan lacht hij. “Ik heb een bessensnor!” Hij maakt een gekke bek. “Wibbel-wabbel!”
Miep en Pip kijken. Dan proesten ze. “Hihi! Jij bent meneer Snor!” zegt Miep. Pip wiebelt zijn eigen snor. “Ik wil ook zo'n snor.” Puk doopt de veer. Strrrr. Nu hebben ze alle drie rode snorren. Ze kijken in een plas water en giechelen nog harder. “Wij zijn team Snormuis!” roept Pip.
“Regel,” zegt Miep. “Als iemand moppert, krijgt hij een extra snor.” Pip knikt. “Goed plan.” Puk steekt een poot in de lucht. “En: we zeggen ‘klap-klap' als een missie lukt.” Ze oefenen. Klap-klap! Hun pootjes maken tik, tik.
Pip wil een dikke ster tekenen. Puk wil op dezelfde plek een hartje. “Mijn ster!” zegt Pip. “Mijn hart!” zegt Puk. Miep tikt tegen de veer. “Wacht. We tekenen een sterretje in het hart. Samen.” Pip en Puk kijken. “Oooo.” Zwiep. Klaar. “Samen is leuker,” zegt Miep. Pip knikt. “Samen is leukst.” Puk fluistert: “Samen is zacht.”
Ze nemen de kaart tussen twee stokjes. Tjak tjak. “Op pad!” roept Pip. Hun pootjes trippelen. Tip-tip, tip-tip.
De missies en de zachte avond
De eerste stop is de ronde steen. Hij is koel en grijs. “Tik tik,” zegt Miep met haar pootje. Pip tikt ook. “Tik tik.” Puk tikt en zegt: “Tok!” Ze schieten in de lach. “Missie één gelukt,” zegt Miep. Klap-klap!
Verderop ligt een klein plasje. Het water glimt. Pip wiebelt. “Hop!” Hij springt. Splish! Een heel klein spatje op zijn teen. “Oeps.” Hij kijkt even. Miep blaast zacht. Foei-foei, warm. Pip glimlacht. Puk springt ook. Hop! Miep danst erover. Hop! “Missie twee gelukt.” Klap-klap!
Ze zoeken de dennenappel. Puk snuffelt. Snif snif. “Hier!” De dennenappel is groot voor muisjes. Pip duwt. Miep trekt. Puk tilt aan een puntje. Het wiebelt. Wobbel-wobbel. “Samen, langzaam,” zegt Miep. Ze zetten kleine stapjes. Stap-stap, stap-stap. De dennenappel rolt mee. “Missie drie gelukt.” Klap-klap! Ze giechelen en rusten even in het zonnetje.
Bij een struik hangen bessen. Rond en dik. “Wauw,” zegt Pip. “Delen?” Miep knikt. “Delen.” Puk geeft de bes aan Miep. Miep neemt een klein hapje. Mjam. Ze geeft door aan Pip. Mjam. “Voor jou,” zegt Pip tegen Puk. Puk neemt ook een klein hapje. Mjam. Drie kleine hapjes. Eén grote glimlach. “Missie vier gelukt,” zingt Miep. Klap-klap!
Nu komt de springdans. Pip telt. “Eén, twee, drie!” Miep springt. Hop! Pip springt. Hop! Puk springt. Hop! Ze waggelen en wiebelen. Hun snorren trillen. Trrr! “Missie vijf gelukt.” Klap-klap! Puk kan niet stoppen met wiebelen. “Wiebeltje na,” zegt hij. Ze wiebelen nog één keer. Hihi.
“Piep-piep-lied!” roept Pip. Ze staan bij een blad dat ritselt. Miep zingt zacht. “Piep, piep, piep.” Pip zingt hoger. “Piep!” Puk zingt laag. “Poooop,” oeps, dat klinkt raar. Ze lachen. Dan zingen ze samen. “Piep, piep, piep.” De blaadjes ritselen mee. Ritsj-ritsj. “Missie zes gelukt.” Klap-klap!
Ze gaan dicht bij elkaar zitten. “Knuffelpauze,” fluistert Miep. Ze leggen pootjes om elkaar. Warm en rustig. Hun hartjes gaan tik-tik, tik-tik. Puk zucht blij. “Zacht,” zegt hij. Pip lacht in stilte. “Missie zeven gelukt.” Een stille klap-klap met zachte pootjes.
Ze zijn bijna bij het eind. De zon wordt goud. De schaduw van het appelblad is lang en lief. De kaart ruikt nog naar bessen. Er staat een ster in een hartje. “Ons eind,” zegt Miep. Puk rolt de kaart op. Zwiep. Pip gaapt een beetje. Gaaaap.
In het nest leggen ze de kaart neer. “We deden alles,” fluistert Pip. Miep tikt op de ster. “Samen.” Puk vouwt een klein blaadje tot een vlag. Flap. Hij zet de vlag naast de kaart. “Voor morgen,” zegt hij. “Nieuwe missies. Kleine, zachte missies.”
Ze kruipen tegen elkaar aan. Warm, rond, veilig. Miep fluistert: “Nog één missie.” Pip knikt al slaperig. “Ogen dicht.” Puk glimlacht. “Oren open voor de blaadjes.” Buiten zegt de wind: “Sssst.” Het nest antwoordt: “Zzz.”
Ogen dicht. Snorren stil. Drie muisjes, drie hartjes, één missiekaart. Alles rustig. Alles goed. En heel zacht zeggen ze samen: “Klap-klap.” Daarna slapen ze, licht en blij. De sterren knipogen. Knip, knip. En de nacht houdt ze warm.