In een klein, zonnig dorpje, vol met lachende bomen en zingende bloemen, woonden drie jongens: Tom, Sam en Joep. Tom droeg altijd zijn grote, blauwe hoed. Sam hield van zijn rode schoentjes, en Joep had een toverstok die hij overal mee naartoe nam.
Op een dag, terwijl de zon hoog aan de hemel stond, zei Tom: "Laten we op avontuur gaan!" Sam klapte in zijn handen. "Ja, een avontuur!" En Joep zwaaide met zijn toverstok. "Tover-avontuur!"
De jongens stapten vrolijk over het groene gras. "Waar gaan we naartoe?" vroeg Sam. Tom dacht even na. "Naar de mooie, glinsterende rivier!" riep hij. Joep zwaaide weer met zijn stok. "Rivier, rivier, hier komen wij!"
Onderweg zagen ze een grote, grappige kikker. "Kwaak!" zei de kikker. "Waar gaan jullie heen?" "Naar de rivier," zei Tom. De kikker lachte. "Pas op voor de glibberige steen!" en met een grote sprong was hij weg.
Bij de rivier sprongen de vissen uit het water. "Plons!" zei een vis. Sam giechelde. "Hallo, vis!" De vis draaide rond en spetterde water. "Spetter, spetter, natte Sam!" lachte Joep.
Na een tijdje zei Tom: "Ik wil een dutje doen." Sam gaapte. "Ik ook." En Joep, die zijn toverstok op de grond legde, knikte. "Dutje, dutje."
De jongens lagen in het zachte gras. De zon kietelde hun neusjes. "Slaap lekker," fluisterde de wind. En zo vielen ze in slaap, dromend van nieuwe avonturen.