De sprong
In het zachte bos woonde een kleine wolf. Hij heette Wolkje. Wolkje hield van luisteren. Hij luisterde naar de beek. Hij luisterde naar de wind. Alles klonk rustig. Alles klonk fijn.
Op een ochtend vond Wolkje iets ronds bij de beek. Het was een glad, blauw steentje. Het tikte heel zacht. Tik. Tik. Tik. Het klonk als regen op bladeren.
Boven in een den zat Odo de uil. Odo keek. Odo was stil en warm. Wolkje keek terug.
“Wat is dit steentje?” vroeg Wolkje.
“Een tijdsteentje,” zei Odo. “Kijk goed. Zorg goed. En kom op tijd terug.”
“Op tijd?” vroeg Wolkje.
Odo knikte. “Ja. Twee tikjes heen. Twee tikjes terug.”
Wolkje hield het steentje vast. Hij gaf twee tikjes. Tik. Tik.
De lucht glinsterde. De beek zong hetzelfde liedje, maar net anders.
Nu werd Toen.
Wolkje stond nog steeds in het bos. Maar de dennen waren kleiner. De lucht rook naar nat mos. De dag was jong.
Toen
Wolkje keek om zich heen. “Hallo, bos-van-toen,” zei hij zacht.
Hij zag een klein dennenkegeltje. Hij pakte het op. Het prikte niet. Het was lief.
“Plant me,” fluisterde het in zijn hoofd. Misschien was het de wind. Wolkje lachte. Hij groef met zijn poot een klein gaatje. Hij zette het kegeltje erin. Hij duwde de aarde aan. Dat was zacht. Dat was goed.
“Goed doen is klein beginnen,” klonk Odo, nog steeds boven in een tak. Hij keek alleen maar. Hij was de stille kijker. Dat was fijn.
Tussen de struiken zag Wolkje een pup. De pup had een kleine ster op een poot. Net zoals Wolkje. De pup zwaaide. Wolkje zwaaide terug.
“Dag,” zei Wolkje.
“Dag,” lachte de pup. Het klonk als een belletje.
Wolkje voelde iets warms in zijn buik. Het was geen honger. Het was blij.
Wolkje bond een blauw lintje aan een jonge tak. “Zo onthoud ik het,” zei hij.
“Goed idee,” zei Odo. “Kijken. Zorgen. En niets stuk maken.”
“Ja,” zei Wolkje. “Ik ben voorzichtig.”
Hij aaide het kleine boompje. “Groeien maar,” fluisterde hij. “Langzaam is goed.”
De dag glimlachte. Maar regels zijn regels.
“Het is tijd,” zei Odo zacht.
Wolkje hield het steentje vast. Hij gaf twee tikjes. Tik. Tik.
Toen werd Nu.
Nu
Wolkje stond weer bij de beek van nu. De dennen waren groot. De lucht rook naar zon op schors. De beek zong nog steeds. Dat was fijn.
Hij keek om hoog. Daar stond een hoge den. Sterk en stil. Om een tak hing een lintje. Het was niet meer heel blauw. Het was blauw-groen van de tijd. Wolkje tikte ertegen.
“Hallo, lintje-van-toen,” zei hij.
“Je hebt het goed gedaan,” fluisterde de wind.
Odo zat weer in de takken. Hij keek. Hij knikte.
“Heb ik dat kleine boompje geplant?” vroeg Wolkje zacht.
“Ja,” zei Odo. “Je zorgde toen. En nu is het groot. Dat is de tijd. Dat is verantwoordelijkheid.”
Wolkje glimlachte. “Ik zal altijd zacht doen,” zei hij.
“Dat is wijs,” zei Odo.
Wolkje legde het tijdsteentje onder een platte steen bij zijn hol. Niet ver. Niet weg. Gewoon veilig.
“Dit is ons geheimpje,” fluisterde hij.
Odo knipoogde. Hij was de stille bewaker.
De zon streek over de den. De schaduw viel als een deken over Wolkje. Hij gaapte. Hij rolde op zijn rug. Zijn pootjes waren warm. Zijn hart was rustig.
“Morgen is morgen,” zei Wolkje.
“Vandaag is goed,” zei de wind.
Wolkje sloot zijn ogen. Hij dacht aan Tik. Tik. Aan Toen en Nu. Aan zorgen en lachen.
Hij ademde in. Hij ademde uit.
Het bos glimlachte mee. En alles was precies op tijd.