Er was eens een klein meisje genaamd Emma. Emma was heel blij. Ze had twee vriendinnen: Lotte en Noor. Lotte zat in een rolstoel, maar dat maakte niets uit. Samen waren ze altijd vrolijk.
Op een dag gingen Emma, Lotte en Noor naar het Grote Bos. Het bos was groot en groen. De bomen waren hoog, als reuzen. Emma keek omhoog en zag de vogels vliegen. "Kijk, vogels!" zei Emma.
Lotte lachte. "Vogels zijn vrij," zei ze. Noor knikte. "Wij ook," zei Noor. Ze voelde de wind in haar haar. "De wind is zacht," zei Noor. "Zacht als een deken."
In het bos vonden ze een mooie bloem. De bloem was rood en geel. "Wat een mooie bloem," zei Emma. "De bloem danst in de wind," zei Lotte. Ze keek naar de bloem met grote ogen.
Toen gaf Emma de bloem aan Lotte. "Voor jou," zei Emma. Lotte glimlachte. "Dank je," zei ze. "Vrienden delen."
De zon scheen door de bomen. Het licht was warm en vriendelijk. "De zon is onze vriend," zei Noor. "Hij maakt alles warm."
Emma, Lotte en Noor zaten samen in het gras. Ze keken naar de wolken. De wolken waren wit en zacht. "Wolken zijn als dromen," zei Emma. "Dromen zijn mooi."
Samen keken ze naar de lucht. Ze dachten aan de vogels, de bloem en de zon. "Het is goed om vrienden te hebben," zei Lotte.
Emma en Noor knikten. "Vriendschap is als de zon," zei Noor. "Het maakt ons blij."
En zo zaten ze daar, in het Grote Bos, als drie kleine meisjes die begrepen wat echt belangrijk was: de zon, de bloemen, en elkaars vriendschap. En dat maakte hun wereld heel mooi.