Er waren eens drie kleine meisjes: Anna, Lotte en Sofie. Ze waren zo klein als bloemetjes in de zon. Op een dag wandelden ze door een groot, magisch bos. Het bos was vol geheimen en kleuren.
Anna keek om zich heen en zag een vlinder. "Kijk, een dansende ster!" zei ze. Lotte lachte. "Hallo, vlinder!" zei ze vrolijk. De vlinder zweefde zachtjes, als een droom.
Sofie zag een klein beekje. "Luister, het water zingt," fluisterde ze. Het water kabbelde als een lief slaapliedje. "Kom, we dansen," zei Anna. Ze hielden elkaars handjes vast en dansten in het zachte gras.
De zon scheen warm en de wind fluisterde zachtjes. "We zijn samen, en dat is fijn," zei Lotte. Ze knikten alle drie en voelden zich blij.
"Het bos is ons vriend," zei Sofie. Ze keken omhoog naar de bomen die als grote armen om hen heen stonden. "Ja, en wij zijn altijd samen," zei Anna.
En zo leerden de meisjes dat vriendschap een schat is, net als de zon die altijd schijnt, zelfs als je hem niet ziet. Samen waren ze gelukkig, als sterren aan de hemel.