Mila is drie. Ze ligt in haar bed. De maan kijkt zacht door het raam. Het licht is als melk.
Mila heeft een klein steentje in haar hand. Het is glad. Het is grijs. Ze vond het vandaag bij het pad.
Ze fluistert: “Steen, wie ben jij?”
De steen zegt niets. Maar Mila luistert toch. Ze luistert met haar oren en met haar buik.
“Ben jij oud?” vraagt Mila.
De steen voelt koel. Mila denkt: oud kan ook stil zijn.
Op de stoel zit Beer. Beer is haar zachte knuffel. Beer heeft ronde oren en een buik als een kussen.
“Beer,” zegt Mila, “waarom is de steen zo stil?”
Beer zegt: “Stil kan heel vol zijn.”
Mila lacht klein. “Vol van wat?”
Beer zegt: “Vol van tijd. Vol van zon. Vol van regen.”
Mila kijkt naar haar hand. Het steentje ligt daar als een klein maan-ei.
Mila vraagt: “Ben ik ook een steen?”
Beer lacht zacht. “Jij bent warm. Jij groeit. Jij zegt ‘mama'.”
Mila denkt aan mama in de kamer naast haar. Dat voelt fijn, als een deken.
Mila vraagt nog een vraag: “Waarom ben ik ik?”
Beer zegt: “Omdat jij Mila bent. Omdat jij kijkt. Omdat jij lief bent.”
Mila zet het steentje op de vensterbank. Naast een schelp. Naast een veer. Drie kleine dingen. Drie kleine vragen.
Ze zegt: “Slaap, steen. Slaap, maan.”
De maan blijft kijken. Mila's ogen worden zwaar. Haar adem gaat heen en weer, als een bootje op zacht water.
Beer zegt: “Morgen kan je weer vragen.”
Mila knikt. Ze slaapt.
Moraal: Kleine vragen maken je hart groot en zacht.