Kleine Tim zit op de vloer. Hij heeft een plannetje. "Ik ga een grapje maken!" zegt Tim tegen zijn knuffelbeer. Tim pakt de grote doos met blokken. Hij bouwt een hoge toren. Heel hoog!
Mama komt binnen. "Wat doe je, Tim?" vraagt ze. "Ik bouw een toren!" lacht Tim. Mama kijkt en lacht ook. "Pas op, straks valt hij om!"
Tim grinnikt. Hij heeft een idee. Hij zet een kleine bal bovenop de toren. "Kijk, mama!" roept Tim. "Een bal op de toren!"
Mama kijkt verbaasd. "Oh nee, Tim! De bal rolt!" zegt ze. En ja hoor, de bal rolt! Hij rolt van de toren af naar de grond. Boem! De toren valt om.
Tim lacht. Mama lacht ook. "Wat een grappige toren," zegt mama. "Nog een keer!" roept Tim blij.
Dus bouwt Tim weer een toren. Hij zet de bal weer bovenop. Maar deze keer rent de kat voorbij. Poesje springt tegen de toren. Boem! Daar gaat de toren weer.
"Wat een gekke kat," lacht Tim. Mama schudt haar hoofd, maar ze lacht ook. "Tijd voor bed, Tim," zegt mama. Tim geeuwt. "Morgen weer grapjes maken," zegt hij.
Mama geeft Tim een knuffel. "Slaap lekker, kleine grappenmaker," fluistert ze. En Tim sluit zijn ogen, met een grote glimlach.