Een klein wit konijn loopt in het gras. Het konijn zingt zacht. Het konijn huppelt en huppelt. Plots ziet het een sok aan een tak. Een sok! "Hallo sok," zegt het konijn. De sok zegt niks. De sok wiebelt wel. Het konijn trekt. De sok blijft aan de tak. Het konijn lacht. Het trekt nog eens. Plof! De sok valt op een hoed. De hoed zegt ook niks. De hoed wiebelt ook. Het konijn zet de hoed op. De hoed past! Het konijn ziet er grappig uit. Het voelt zich blij en stom tegelijk.
Een muis kijkt en lacht. Een vogel kijkt en fluit. "Wat doe je?" vraagt de muis. "Ik maak feest," zegt het konijn. Het konijn danst rond de boom. Het danst met de hoed. De sok hangt op de wortel. Een kikker springt en zegt boem. Iedereen lacht. De zon lacht ook. De wolk tikt zacht op een poot. Het voelt fijn.
Het wordt later. Het konijn voelt moe. Het hoofd zakt. Het konijn zoekt een bed. Het vindt een blad. Het blad is groot en zacht. Het legt de hoed als kussen. De sok wordt een knuffel. De muis dekt het toe met een grasspriet. De vogel zingt zacht. De kikker blubt rustig. Alles is stil en warm.
Het konijn sluit zijn ogen. Het ademt langzaam. Eén oog dicht. Twee ogen dicht. Een kleine snurk. Een grote zucht. De nacht zegt goed nacht. De sok zegt zacht plasplof. De hoed droomt mee.
Wees blij met kleine dingen, ze maken groot geluk.