Tom is vier jaar. Hij is klein. Hij speelt in zijn kamer. Hij lacht. Hij heeft een beer. De beer heet Bo. Bo draagt een sok op zijn hoofd. Tom lacht hard.
"Bo, wat doe je?" zegt Tom. Bo zwiept de sok. Tom danst. Hij draait. Hij valt in een berg van kussens. Kussens springen. Een kussen landt op zijn neus. "Aha!" zegt Tom. Hij giechelt.
Mama komt in. Ze zegt "Tijd voor bed." Tom zegt "Nog even." Mama glimlacht. Ze pakt de pyjama. Tom doet de pyjama aan. Bo doet ook een pyjama. Ze maken een raar dansje. Ze fladderen als een lamp. Het is grappig.
Dan wil Tom nog een glas melk. Mama geeft het. Tom slurpt. Hij zegt "Dank je." Bo krijgt een slok uit een klein hoedje. Bo proest en lacht.
Tom ligt in bed. De lamp is zacht. Bo ligt naast hem. Mama zegt een lied. Het lied is zacht. Tom voelt zijn ogen zwaar worden. Hij zucht, zacht, en glimlacht. Bo geeft een knuffel. Tom slaapt.
Buiten waait een zacht windje. Het zingt. Tom droomt van zon en koek. Bo droomt mee. Mama kust hem. Ze zet het licht heel zacht. Alles is stil.
Een kus en een lach maken de nacht zacht.