Hoofdstuk 1: Samen spelen op de speelplaats
“Kom, we gaan naar buiten!” roept Noor blij. Haar drie vriendinnen lachen. Noor, Lila, Sara en Emma zijn altijd samen. Emma zit in een rolstoel, maar dat maakt haar niet minder snel. “Wat gaan we doen?” vraagt Lila. “Zullen we tikkertje spelen?” zegt Sara.
Noor kijkt om zich heen. Op het plein zijn veel kinderen. De jongens voetballen. De meisjes spelen in het zand. Noor zegt: “Ik wil ook voetballen!” Lila knikt. “Mag dat wel? Voetbal is voor jongens, toch?” vraagt Lila zachtjes. Noor schudt haar hoofd. “Nee hoor, voetbal is voor iedereen!” Sara glimlacht. “Ja, wij kunnen dat ook!”
Emma lacht. “Ik doe mee! Ik ben de keeper!” Noor kijkt naar de andere kinderen. “Zullen we vragen of wij mee mogen doen?” De meisjes lopen samen naar het voetbalveldje. Noor zegt vriendelijk: “Mogen wij meespelen?” De jongens kijken even verbaasd. “Voetbal is voor jongens,” zegt één jongen. Noor schudt haar hoofd. “Voetbal is voor iedereen. Wij willen ook graag meedoen.”
Emma knikt. “Ja, samen spelen is leuker.” De jongens denken even na. Dan zegt een jongen: “Oké, jullie mogen meedoen. Iedereen mag voetballen!” Noor, Lila, Sara en Emma lachen. Ze rennen samen het veld op. Emma rijdt snel naar het doel. Ze roept: “Ik ben klaar!” Iedereen speelt samen. Het is heel gezellig.
Hoofdstuk 2: Iedereen kan alles
Na het voetballen zitten de meisjes op een bankje. Lila zegt: “Voetbal was leuk! Ik dacht dat het alleen voor jongens was. Maar dat is niet zo.” Sara knikt. “Ik dacht dat ook. Maar samen spelen is veel fijner.” Noor glimlacht. “Iedereen kan alles doen. Jongens en meisjes mogen alles proberen.” Emma lacht. “Ik ben keeper en ik ben goed! Het maakt niet uit of je een jongen of meisje bent. Of in een rolstoel zit. Iedereen mag meedoen.”
Noor zegt: “Laten we morgen iets anders proberen! Misschien bouwen we een zandkasteel?” Lila roept blij: “Ja! En misschien willen de jongens ook meehelpen.” Sara lacht. “Dan spelen we allemaal samen.” Emma knikt. “Samen is alles leuker.”
De meisjes lopen langzaam naar binnen. Ze zingen: “Iedereen mag meedoen, samen is het fijn. Iedereen mag proberen, groot en klein!” Noor zegt zachtjes: “Morgen is weer een nieuwe dag. Dan spelen we weer samen. En iedereen mag meedoen!”
Hoofdstuk 3: Iedereen hoort erbij
De volgende dag komen Noor, Lila, Sara en Emma weer samen. Ze bouwen een groot zandkasteel. Noor zegt: “Wie helpt er mee?” De jongens komen kijken. “Mogen wij ook meedoen?” vraagt een jongen. “Natuurlijk!” roepen de meisjes samen.
Samen graven ze, bouwen ze torens en maken ze een mooie poort. Iedereen lacht. Iedereen helpt. Niemand zegt: “Dat is alleen voor meisjes.” Of: “Dat is alleen voor jongens.” Noor zegt trots: “Kijk! We hebben het samen gedaan!” Emma zegt: “Iedereen hoort erbij. Iedereen is goed zoals hij is.”
Lila knikt. “Samen spelen, samen lachen. Dat is het leukste.” Sara zegt zacht: “We zijn allemaal verschillend, maar samen zijn we sterk.” De kinderen kijken naar hun kasteel. Het is mooi en groot. Noor zegt: “Dit is ons kasteel. Van iedereen.”
Samen zingen ze nog een keer: “Iedereen mag meedoen, samen is het fijn. Iedereen mag proberen, groot en klein!” Ze lachen en zwaaien. Het is een fijne dag. En morgen? Morgen spelen ze weer samen. Want iedereen hoort erbij.