In het blauwe dorp onder de wolken woont Loekie. Loekie heeft glinsterende schubben en een pluizige staart. Elke ochtend zwaait Loekie naar de maan en glimlacht naar de zon. Loekie houdt van dansen in het gras, springen in plassen, en knutselen met vriendjes.
Vandaag is een speciale dag. Op school maken de kinderen zich klaar voor het grote toneelstuk. Iedereen mag meedoen. Juf Noor zegt: “We kiezen rollen. Je mag iets kiezen wat je leuk vindt!” Sommige kinderen willen een koning zijn. Anderen willen een prinses zijn. Iemand wil een draak spelen. Loekie kijkt rustig rond.
Loekie's beste vriend Sam wil de bakker spelen. “Mag ik ook bakker zijn?” vraagt Loekie. “Natuurlijk!” roept Sam. “Iedereen kan bakker zijn.”
Maar dan zegt Fien: “Bakkers zijn altijd jongens. Jij bent toch geen jongen?” Loekie kijkt naar zijn glinsterende schubben. “Ik ben Loekie,” zegt Loekie rustig. “Ik kan alles zijn wat ik wil.”
Juf Noor knikt. “Iedereen mag kiezen wie hij of zij wil zijn. Soms is een bakker een meisje. Soms is een bakker een jongen. Soms is een bakker gewoon Loekie! Is dat niet fijn?”
De andere kinderen lachen. “Ja!” roepen ze samen.
Loekie trekt een grote, witte bakkersmuts aan. De muts glijdt een beetje scheef. Loekie moet giechelen. Sam geeft Loekie een houten lepel. “Kijk, nu ben je echt een bakker!” zegt Sam.
Tijdens de oefening bakt Loekie broodjes van klei. “Wil iemand een broodje proeven?” vraagt Loekie. Fien loopt naar voren. Ze ruikt aan het broodje. “Hmm, lekker!” zegt ze. “Mag ik nog eentje?”
Loekie lacht. “Natuurlijk! Iedereen mag proeven.” De andere kinderen komen ook. Iedereen wil een broodje van Loekie. Ze lachen en delen samen.
Na de oefening zegt Fien zachtjes: “Sorry, Loekie. Ik dacht dat bakkers altijd jongens waren. Maar jij bent de beste bakker.” Loekie wipt blij met de staart. “Dank je, Fien. We kunnen alles zijn wat we willen.”
Op de dag van het toneelstuk zitten alle ouders en kinderen klaar. De gordijnen gaan open. Loekie staat naast de oven. Sam staat met een dienblad vol broodjes. Fien speelt de koning.
Loekie begint: “Welkom in mijn bakkerij! Iedereen is welkom. Meisjes, jongens, iedereen mag meespelen.” Sam roept: “Broodjes voor iedereen!” De kinderen klappen in hun handen.
Na het toneelstuk krijgen Loekie en Sam een groot applaus. Fien lacht breed. “Dat was leuk!” zegt ze. “Volgende keer wil ik ook bakker zijn.” Loekie geeft Fien een hand. “Dat mag altijd. We kunnen samen bakken. Wil je ook bij onze groep komen spelen?”
Fien knikt blij. “Ja, graag!” De andere kinderen rennen erbij. “Mogen wij ook meedoen?” vraagt iemand. “Ja!” roept Loekie. “Iedereen is welkom in onze groep.”
Samen maken ze een grote kring. Ze dansen, lachen en delen de broodjes. Loekie kijkt om zich heen. “Wat fijn dat iedereen samen speelt,” fluistert Loekie zacht.
Na het spelen zegt juf Noor: “Kijk eens hoe goed jullie samen delen. Iedereen hoort erbij. Ieder kind mag zijn wie hij of zij is. Dat maakt onze klas zo vrolijk.”
De zon schijnt door het raam. Loekie voelt zich warm en blij. “Samen spelen is het allerfijnst,” zegt Loekie. “En samen delen ook.”
Die avond, als Loekie thuis is, denkt hij aan de dag. Hij denkt aan Fien, Sam en alle anderen. Loekie knuffelt zijn pluizige staart. “Morgen speel ik weer met iedereen,” fluistert Loekie zacht.
De maan glimlacht naar Loekie. De sterren twinkelen zacht. Alles voelt rustig en goed. Loekie weet: iedereen mag zichzelf zijn. En samen delen maakt het leven mooi.