Op een mooie, zonnige dag stond jonge Roosie op het dek van het piratenschip. Het was een groot schip, met veel zeilen die hoog in de lucht wuifden. "Oeh oeh," zei de meeuw die over het schip vloog. Roosie glimlachte naar de meeuw.
Kapitein Klappertje, een vriendelijke oude man, kwam naar Roosie toe. "Zullen we vandaag op avontuur gaan, Roosie?" vroeg hij met een knipoog. Roosie knikte enthousiast. "Ja, kapitein!" zei hij.
Het schip begon te varen. "Plons plons," ging het water langs de zijkanten van het schip. Roosie hield zich stevig vast aan de reling. De wind blies zachtjes door zijn haar. "Waar gaan we naartoe, kapitein?" vroeg hij nieuwsgierig.
Kapitein Klappertje keek naar de kaart. "Daar!" riep hij en wees naar een eiland. "Daar vinden we de schat!" Roosie klapte in zijn handen. "Wow!"
Onderweg kwamen ze een grote blauwe vis tegen. "Blub blub," zei de vis. Roosie zwaaide. "Dag vis!" riep hij vrolijk. De vis zwom verder met een vrolijke zwaai van zijn staart.
Na een tijdje roept Kapitein Klappertje: "Land in zicht!" Het eiland was dichtbij! "Hoera!" riep Roosie. Ze sprongen in de kleine roeiboot. "Plons!" gingen ze in het water. Roosie voelde zich als een echte piraat.
Op het eiland zagen ze een pad met bloemen en schelpen. "Volg het pad," zei de kapitein. "Hop hop." Roosie huppelde over het pad. Hij zag een grote palmboom. En daar, onder de palmboom, lag een glinsterende kist!
"De schat!" riep Roosie uit. Samen met de kapitein opende hij de kist. Wat een verrassing! Er zat een grote berg chocolade in en een kaart voor nóg een avontuur!
Roosie keek naar de kapitein en lachte. "Zullen we de volgende keer weer gaan, kapitein Klappertje?" vroeg hij. "Ja, natuurlijk!" antwoordde de kapitein lachend.
Samen roeiden ze terug naar het schip. De zon ging langzaam onder. Roosie voelde zich blij en moedig.
Iedere dag is een avontuur waard om samen te beleven.