Jules is een jonge man. Hij staat op een klein piraten schip. Het water klotst. De zeilen gaan woei, woei.
Kapitein Noor lacht. „Jules, kijk! Een kaart!”
Jules knikt. „Ik kan lezen,” zegt hij. Hij wijst. „Hier. Naar het eiland.”
De crew roept: „Hoera!” Ze zingen zacht. Jules voelt zich blij en dapper.
Maar oeps. Een touw zit vast. Het zeil hangt scheef.
„Ik doe het,” zegt Jules.
Hij trekt. Hij denkt even. Dan maakt hij een knoop los. Het zeil valt goed. Iedereen klapt.
Dan komt er mist. Niet eng, maar dik als wol.
„Rustig,” zegt Kapitein Noor. „We doen klein.”
Jules pakt een bel. „Ting, ting,” doet hij. Zo hoort elk schip hen.
Plots drijft er een houten kist. Hij tikt tegen de boot.
Jules grijnst. „Schat?”
„Open maar,” zegt Noor.
Jules doet de kist open. Binnen ligt een rode appel en een klein vlaggetje met een ster.
„Geen goud,” zegt Jules, en hij lacht.
„Toch schat,” zegt Noor. „Voor ons buikje en ons schip.”
Ze eten samen. Het schip vaart weer snel. De zon komt terug. Jules zet het ster vlaggetje hoog. De crew juicht.
Moraal: Samen denken en helpen maakt elke reis fijn.