Kapitein Bram staat op zijn schip. De zee zegt: “sjoesj, sjoesj.” De vlag gaat “wap-wap”. Bram lacht. “Piratenpret!” zegt hij.
Zijn maatjes zijn er ook: papegaai Puk en matroos Mia. Mia klopt op de ton. “Tok-tok,” zegt ze. “Waar is de kaart?” Bram denkt slim. Hij kijkt onder zijn hoed. “Hier!” zegt hij. Puk roept: “Kra-kra!”
Ze varen naar een klein eiland. “Hop!” zegt Bram. Hij stuurt het roer. Een wolk komt voor de zon. Even is het wat donker, maar Bram blijft rustig. “Wij kunnen dit,” zegt hij.
Bij het eiland zien ze een kist. “Kijk!” zegt Mia. Bram loopt dapper naar de kist. De kist zit vast met een touw. Bram pakt zijn klein mes. “Snip-snip,” doet het. Het touw valt. “Plop!”
Maar oeps, de kist zit ook vast in nat zand. Bram duwt. “Hup, hup.” Mia helpt. “Hup!” Puk tikt met zijn snavel. “Tik-tik!” Samen trekken ze. “Trek!” zegt Bram. En ja: “plok!” De kist is los.
Ze doen de kist open. “Klak!” Binnenin: koekjes en een glinsterende schelp. Bram deelt koekjes uit. “Mmm,” zegt Mia. “Kra!” zegt Puk.
Ze varen terug. De zee zegt weer: “sjoesj, sjoesj.”
Samen durven en samen denken helpt altijd.