Kapitein Koen staat op het dek. Hij heeft een rode pet en een brede lach. Naast hem huppelt papegaai Pip.
“Ahoy!” zegt Koen. “We zoeken de koek-schat!”
De zee is blauw. Het schip wiegt zacht. De maatjes zingen: “La la la, varen maar!”
Dan wijst Pip met zijn snavel. “Kik! Eiland!” zegt hij.
Koen pakt de kaart. Hij telt hard: “Eén… twee… drie stappen.” Hij kijkt goed. “Slim zijn,” zegt hij.
Op het strand ligt een groot touw in de knoop. Het blokkeert het pad. Koen krabt aan zijn kin. “Hmm.”
“Trekkie!” zegt Pip.
Koen trekt. Niks. Hij lacht. “Sterk zijn,” zegt hij. Hij knielt en maakt de knoop klein. Eén lus, nog een lus. Los!
“Hoera!” roepen de maatjes.
Achter de palmen staat een houten kist. Maar de kist zit vast met een riem. Koen probeert rustig. “Ik kan dit,” zegt hij. Hij schuift het riempje opzij. Klik. Open.
Binnenin liggen koekjes en een klein belletje. Koen rinkelt. “Ding ding! Schat!”
Ze delen de koekjes. Pip krijgt een kruimel op zijn snavel en giechelt.
Terug op het schip zwaait Koen. “Samen zijn we dapper,” zegt hij.
Moraal: Als je rustig kijkt en samen helpt, lukt het avontuur altijd.