Ridder Sam zit op zijn paard. Sam draagt een glanzend harnas. De zon schijnt. Sam lacht. Sam is dapper. Sam is slim. Sam is trouw. Vandaag gaat Sam op avontuur.
Sam rijdt door het bos. De bomen zijn groot. De vogels zingen. Sam zegt: “Kom, paard, we gaan verder!” Het paard hinnikt blij.
Plots ligt er een grote steen op het pad. Sam stapt af. Sam kijkt goed. Sam denkt na. Sam zegt: “Samen zijn we sterk.” Sam duwt. Het paard helpt. De steen rolt weg. Sam en het paard lachen.
Verderop hoort Sam een zacht geluid. Een klein vogeltje zit vast in een struik. Sam loopt zachtjes. Sam praat lief. “Rustig maar, klein vogeltje,” zegt Sam. Sam helpt het vogeltje los. Het vogeltje fladdert vrij. Sam zwaait.
Sam rijdt verder. Het kasteel is dichtbij. De poort gaat open. Iedereen juicht. “Hoera voor Ridder Sam!” roept iedereen. Sam lacht. Sam is blij.
Samen zijn we sterk, samen zijn we trouw.