Ridder Bram woont in een hoog kasteel. Zijn helm glimt. Zijn schild is rond. Zijn zwaard is klein, maar sterk. Bram is dapper.
Op een zachte ochtend roept de koning: “Ridder Bram, kom!”
Bram komt snel. “Ja, koning,” zegt Bram.
De koning wijst naar de poort. “De vlag is weg. Ons rode vaantje. Zonder vlag is het plein stil.”
Bram knikt. “Ik ga op queeste,” zegt Bram.
Bram stapt op zijn pony, Pluis. Pluis is lief en bruin. Samen rijden ze door het groene land. De wind wiegt het gras. Bram kijkt goed. Hij denkt slim.
Bij de brug ligt een dikke tak. De weg is dicht. Bram stapt af. Hij duwt. Hij duwt nog eens. “Hup,” zegt Bram. Pluis helpt en duwt met zijn neus. De tak rolt opzij. De weg is weer vrij. Bram lacht. “Wij zijn sterk,” zegt Bram.
In het dorp hoort Bram een zacht “piep, piep.” Onder een bank zit een kleine kip. Op haar poot zit een touwtje met rood stof. Bram knielt. “Rustig, kip,” zegt Bram. Hij maakt het knoopje los. Het touwtje valt weg. De kip schudt haar veren. “Tok,” zegt ze blij.
Bram ziet een spoor van rood stof naar de molen. Hij rijdt erheen. Bij de molen staat een oude molenaar. Hij houdt het rode vaantje vast. Zijn handen zijn vol meel. “O,” zegt hij, “de vlag waaide hier. Ik wilde hem schoon maken.”
Bram knikt. “Dank u,” zegt Bram. “Dit hoort bij het kasteel.”
Samen vouwen ze de vlag. Heel netjes. Bram draagt hem hoog, als een echte ridder.
Terug bij het kasteel zet Bram de vlag op de toren. De koning klapt. De mensen juichen zacht. Pluis krijgt een appel. Bram buigt diep. “Voor eer en voor het plein,” zegt Bram.
Bram leert: met een rustig hart, slimme ogen en dappere handen help je altijd weer.