Er was eens een prinses die Lila heette. Lila had glinsterende schoenen aan en een roze kroontje op haar hoofd. Ze woonde in een groot, vrolijk kasteel, vol magische bloemen en grappige kaboutertjes. Op een ochtend sprong prinses Lila uit haar bed. Ze hoorde iets giechelen onder haar kast.
“Wie is daar?” vroeg Lila met haar zachte stem.
Plots kwamen er drie kleine konijnen tevoorschijn. Ze hadden gekleurde strikjes om hun oren. De konijnen lachten zo hard dat hun buikjes trilden. “Wij zijn de grappige konijnen!” zei het grootste konijn. “We zoeken onze worteltaart. Heb jij die gezien?”
Lila schudde haar hoofd. Ze keek onder haar bed. Ze keek in haar schoenen. In haar schoenen zat geen taart, alleen haar kleine sok. Prinses Lila giechelde ook.
“Misschien is de taart buiten!” zei ze blij.
Samen liepen ze voorzichtig naar de tuin. Op het gras zat een grote, paarse kikker. De kikker had taart op zijn neus! “Oeps!” zei de kikker en hij lachte.
Lila lachte zacht. De konijnen lachten hard. Iedereen lachte samen en de kikker sprong op en neer als een bal.
Ze maakten nieuwe worteltaart. De kabouters kwamen dansen. De zon scheen, de bloemen geurden, iedereen was blij.
Op het einde van de dag zei prinses Lila: “Samen zijn maakt alles leuker!”
Blije momenten zijn het allerfijnst als je ze samen deelt.