Er was eens een prinses, zo klein als een duim. Ze heette Lila. Lila droeg een roze jurkje en had glinsterende schoenen. Elke dag lachte Lila: “Hihi, wat een leuke dag!”
Op een ochtend hoorde Lila: “Toc-toc!” “Wie is daar?” vroeg ze. Het was haar vriendje, de kikker Kiko. “Plons!” Kiko sprong in een plas water. “Kom spelen!” zei Kiko. Lila klapte in haar handen. “Hop, ik kom!”
Samen gingen ze naar de grote toverboom. De boom zwaaide met zijn takken. “Zwaai, zwaai!” lachte de boom. Lila en Kiko zwaaiden terug. De blaadjes maakten een zacht geluid: “Flap-flap.”
Plotseling rolde er een grote, blauwe appel uit de boom. “Boing!” De appel stuiterde op de grond. Lila riep: “Wat grappig!” Kiko sprong ertegen. “Boink!” riep de appel en rolde rondjes.
Lila zei: “Magie is leuk!” De boom knipoogde. “Elke dag een lach!” zei hij. “Sap, sap!” dronk Lila van de blauwe appel. “Hmm, dat is lekker!” lachte ze.
Toen werd het rustig. De zon ging langzaam slapen. Lila geeuwde: “Moe, maar blij.” Kiko gaf haar een dikke kikkerknuffel. Samen lagen ze onder de boom. “Slaap lekker,” zei de boom zacht.
Lila fluisterde: “Samen lachen is het fijnst.”
Want als je samen lacht, voelt elke dag als een sprookje.