Er was eens een prinses. Ze heette Lila. Lila lacht veel. Ze houdt van dansen met vlinders. In haar rijk zingen bomen. In haar rijk springen wolkjes als ballen.
Op een dag vindt Lila een piep klein hoedje. Het hoedje tik, tik. "Wie ben jij?" zegt Lila. Het hoedje piept: "Ik ben Piep, het lachhoedje." Piep maakt geluidjes. Piep maakt grapjes. Samen lopen ze door het huis van suikerspinbomen. Ze tippen op paddenstoelen. Ze tikken met hun tenen op de maan. De maan giechelt zacht.
Ze vinden een deur in de tuin. De deur is klein en rond. Lila duwt. De deur wiebelt, wiebel. Er komt een rij van kabouterkatjes uit. "Miauw!" zingen ze. Lila lacht. Ze deelt een koek met een katje. Het koekje zegt "mjam". Iedereen smult.
Plots stopt Piep met piepen. "Oh," zegt Lila zacht. Ze kijkt. Piep zit op een bloem en kijkt sip. Lila pakt een pluim van een wolk. Ze zacht wrijft over het hoedje. Piep piept blij. "Pieppie!" roept Piep. Alles lacht weer.
Nu begint een vrolijke tocht. Ze dansen langs een rivier van limonade. Ze blazen bellen. Bellen ploppen en laten confetti vallen. De konijnen dragen kleine brillen. De vogels klappen met hun vleugels als handen. Lila zegt: "Kom mee!" De hele stoet huppelt en zingt. Het lied is kort en blij. Het lied eindigt met een zachte knuffel. De zon geeft een kus. De sterren wuiven.
Lila gaat naar bed in haar zachte kasteel. Ze sluit haar ogen. Ze glimlacht.
Moraal: Een klein gebaar maakt groot geluk.