Er was eens een kleine prins in een zacht en lachend koninkrijk. Het koninkrijk glinsterde als een koekje met suiker. De prins had een pluizig hoedje en lachte veel. Hij hield van paddenstoelen die piepen, van bloemen die kietelen en van wolken die dobberen.
Op een dag vond de prins een vrolijke kartonnen kaart. De kaart zei met kriebelletters: "Kom spelen bij de zingende boom!" De prins sprong op. "Kom mee," zegt hij tegen zijn kat. De kat spint en springt. Samen lopen ze op stap, stapt stap, zacht en snel.
De weg naar de boom is vol kleine grapjes. Een kabouter blaast bellen die klinken als belletjes. Een eekhoorn geeft de prins een noot. "Dank je," zegt de prins. De eekhoorn giechelt. De zon speelt koekendrums in de lucht. Alles klinkt als een lied.
Bij de zingende boom woont een vriendelijke toverworm. De worm strijkt met zijn tenen over de bast en zingt een lachend lied. "Zing met ons," zegt de worm. De prins zingt een zacht deuntje. De kat miauwt in het ritme. Vogeltjes tikken mee met hun pootjes. Het zingen maakt de blaadjes vrolijk. Een blad vliegt als een parachute en landt op de muts van de prins. De prins klapt in zijn handen. "Hiep hiep," zegt hij. Iedereen lacht.
Plotseling verandert een paddenstoel in een springkussen. "Boing!" zegt de prins en boingt hoog. De kat boingt mee. Ze rollen in het gras en kietelen elkaar. Een vriendelijke fee verschijnt met confetti in haar hand. Ze strooit zachte glans. De prins voelt zich warm en blij. Niets doet pijn. Alles is zacht.
Als het bijna avond wordt, gaat de zon zitten als een warme jas. De prins neemt afscheid. "Tot morgen," zegt hij. De kat spint nog één keer en de worm geeft een kleine kus. Ze lopen terug naar het kasteel, stap voor stap, rustig en tevreden. De sterren knipperen als kleine oorbellen en wiegen hen zacht naar bed.
De moraal: kleine avonturen maken grote glimlachen.