Er was eens een prins. Hij heette Prins Pim. Hij woonde in een zacht kasteel van koek. Mmm.
Op een morgen zei Pim: “Ik ga op avontuur. Hop!”
Zijn kroontje wiebelde. Wiebel-wiebel.
In het feeënrijk stond een poort van glans. Tik-tik, ging Pim met zijn schoen. De poort zei: “Toc-toc!” en ging open. Binnen dansten kleine lichtjes. Twinkel, twinkel.
Pim liep naar de fontein van limonade. Plons! Zijn neus kreeg een spat. “Hihi,” lachte Pim. De fontein proestte ook: “Pffft!” en spoot een bel. Een bel zo groot als een bal.
De bel rolde weg: rol-rol-rol. Pim rende erachteraan. “Wacht, bel!” zei Pim.
Een fee kwam erbij. Ze had een muts met sterren. “Ik help,” zei de fee. “Kijk, tover-zeep!”
Ze blies: “Foeee!” en maakte zeepbellen. Plop, plop, plop. De grote bel werd er blij van en stuiterde: boing! Boing! Boing!
Maar oeps: de bel zat vast aan een boom van suiker. Pim aaide de boom. “Sorry,” zei Pim.
De boom zei: “Krak-kik!” en liet een tak los. Het was een snoepstok. Alles was weer los. Hoera!
De bel rolde terug naar de fontein. Pim duwde zachtjes. Duw-duw. De fontein zei: “Dank je!” en gaf een klein slokje limonade. Sip-sip.
Pim en de fee gingen terug. De poort deed weer “toc-toc” en knipoogde. In het kasteel van koek at Pim een mini-koekje. “Mmm,” zei hij, heel rustig.
En toen werd het stil en fijn, als een zachte deken.
Moraal: Als je zacht en samen helpt, lacht de magie met je mee.