Er was eens een prins genaamd Lino. Hij woonde in een betoverd koninkrijk, vol met kleurrijke bloemen en zingende vogels. Lino had een bijzondere eigenschap: hij kon met dieren praten!
Op een dag besloot prins Lino om de mysterieuze berg te beklimmen. "Ik ga de top van de berg bereiken!" zei hij vol vertrouwen. Terwijl hij omhoog klom, ontmoette hij een grappige draak. De draak had grote, glinsterende ogen en een schaterlach die de lucht vulde.
"Hallo daar, prins!" zei de draak. "Wat doe je hier?"
"Ik wil naar de top van de berg!" zei Lino.
De draak lachte. "Dat is makkelijk! Maar eerst moet je mijn raadsels oplossen!"
"Oké!" zei Lino.
De draak vroeg: "Wat is groen en kan springen?"
Lino dacht na. "Een kikker!"
"Klopt!" riep de draak. "Nu de laatste! Wat is altijd in de lucht maar kan niet vliegen?"
"Een ballon!" zei Lino.
"Goed gedaan! Je mag gaan!" zei de draak en gaf Lino een grote knuffel.
Toen Lino eindelijk de top bereikte, zag hij een prachtig uitzicht. "Wat een dag!" lachte hij. En zo keerden de prins en de draak terug naar het kasteel, vrienden voor altijd.