Begin
Noor is drie jaar. Noor houdt van kijken. Noor houdt van luisteren. Vandaag speelt Noor speurspel. Ze zet een pet op. De pet is van papier. Op de pet zit een ster.
In de tuin staat een mand met ballen. Grote ballen. Kleine ballen. Noor wil de rode bal. De rode bal is leuk. Maar… de rode bal is weg. De mand is leeg. Noor kijkt. Sam kijkt. Mila kijkt.
“Waar is de rode bal?” vraagt Noor zacht.
“Misschien rolde hij weg,” zegt Juf Lotte. Ze lacht. “De wind was sterk.”
Noor knikt. “Wij zoeken.” Noor pakt twee kleine walkietalkies. Ze zijn geel. Ze zeggen klik-klik. Noor geeft er één aan Sam. Noor geeft er één aan Mila.
“Help je mee?” fluistert Noor. “We zoeken samen. Rustig en slim.”
De zoektocht
Noor kijkt naar de grond. Ze ziet een rood stipje krijt. “Een spoor,” zegt Noor. Ze wijst. Sam knielt. “Ik zie ook rood.” Mila wijst naar het pad. “Daar, meer stipjes.”
Ze lopen langzaam. Stap, stap, stap. Ze kijken goed. De wind blaast zacht. De blaadjes ritselen. Het is fijn.
“Klik,” zegt de walkietalkie. Noor spreekt. “Team Noor, zie je iets?”
“Een veer,” zegt Sam. “Wit en klein.”
“Een blaadje opzij,” zegt Mila. “Het gras is plat.”
Ze stoppen bij de glijbaan. Geen bal. Ze kijken onder de bank. Geen bal.
“Vraag het aan Miep,” zegt Noor. Miep is de buurkat. Miep zit in de zon. Noor vraagt: “Miep, heb jij de bal gezien?”
“Miauw,” zegt Miep. Miep kijkt naar het hek. Ze tikt met haar staart. Noor lacht. “Dank je, Miep.” Ze kijken naar het hek.
Boven op het hek zit een vogel. Het is Pip. Pip is klein. Pip is bruin met een streepje. Pip tikt met zijn snavel. “Tjik-tjik,” zegt Pip.
Noor zwaait. “Hoi Pip. Wij zoeken een rode bal. Heb jij iets gezien?”
Pip fladdert. Pip kijkt naar de grote blauwe stoel bij de waslijn. Pip zegt: “Tjik!” en wijst met zijn vleugel.
“Pip is een getuige,” fluistert Noor blij. “Pip zag iets.” Ze lopen naar de blauwe stoel. Ze bukken. Geen bal.
Noor denkt na. Ze voelt de wind op haar wang. De wind blaast naar de moestuin. “Ik heb een idee,” zegt Noor. “De bal rolde met de wind. Naar de moestuin.”
“Klik,” zegt de walkietalkie. Noor spreekt. “Team, ga naar de moestuin. Let op rood.”
Sam rent. Mila loopt snel-snel, maar voorzichtig. Noor loopt ook. Ze kijken bij de gieter. Geen bal. Ze kijken bij de wortels. Geen bal.
Noor blijft rustig. “We blijven zoeken,” zegt ze lief. “Wij kunnen dit.”
Ze ziet een rond spoor in de aarde. Een halve cirkel. Dan nog één. “Kijk,” zegt Noor. “Een rolspoor.”
“Klik,” zegt Sam. “Ik zie iets roods achter het wasrek!”
De vondst en dankjewel
Ze gaan samen naar het wasrek. Daar ligt de rode bal. Hij ligt zacht in het gras. Een blaadje plakt eraan. De bal is een beetje nat. Maar hij glimt.
“Hoera!” roept Mila. “Gevonden!”
Noor knielt. Ze aait de bal. “Hallo, bal,” zegt ze zacht. “Fijn dat je hier bent.” Ze tilt de bal op. Ze lacht groot.
Pip zingt een klein liedje. “Tjik-tjik-tjirp.” Miep spint. De wind blaast heel zacht. Alles is rustig.
“Dank je, Pip,” zegt Noor. “Jij was onze sleutelgetuige.” Pip fladdert blij. “Dank je, Miep,” zegt Sam. Miep knippert traag. “Dank je, wind,” zegt Mila lachend.
Noor drukt op de walkietalkie. “Bevestiging,” zegt ze trots. “Bal gevonden bij het wasrek. Idee wind was juist.” De walkietalkie zegt klik-klik. Dat klinkt fijn.
Ze rollen de bal terug naar de mand. Stap, stap, stap. Samen. Met geduld. Met plezier. Noor zegt: “Wij gaven niet op.” Sam knikt. “Wij zochten door.” Mila glimlacht. “Samen is sterk.”
Juf Lotte klapt zacht. “Goed gedaan, kleine speurders,” zegt ze.
Noor kijkt naar jou. Ze lacht. “Dank je wel dat je meehielp. Jij keek goed. Jij dacht mee.” Ze zet de bal in de mand.
Het is tijd voor drinken en fruit. Ze zitten in de zon. De tuin is warm en stil. Noor nipt. Ze is blij en rustig. Het mysterie is opgelost. Alles is goed.