Lina is vier. Ze houdt van kijken, zoeken en zachtjes denken. Vandaag is er iets raars. Haar rode knuffelbeer, Beer, is weg.
“Beer?” roept Lina. Niet hard. Gewoon lief.
Mama komt erbij. “Geen zorgen, speurder. We gaan samen zoeken.”
Lina knikt. Ze doet alsof ze een echte detective is. Ze zet haar handen op haar heupen. “Ik zoek sporen.”
Ze gaat naar de woonkamer. Dat is een fijne kamer. Er is een bank, een kleed en een lage tafel. Lina kijkt eerst om zich heen. Dan zegt ze: “Ik kijk met mijn rustige ogen.”
Op het kleed ziet ze kruimels. Kleine, ronde kruimels. “Hmm,” zegt Lina. “Wie eet hier?”
Papa lacht. “Ik at een koekje.”
Lina kijkt verder. Naast de tafel ligt een blauw blokje. En er ligt ook een klein sokje. “Dit zijn sporen,” zegt Lina. “Iemand speelde hier.”
Dan ziet Lina iets belangrijks: een zacht pluisje. Rood! “Beer is rood,” fluistert ze. “Dit pluisje is van Beer.”
Ze kruipt voorzichtig onder de tafel. “Ik ga niet rennen,” zegt mama. “Rustig, hè. Dan stoot je je hoofd niet.”
“Rustig,” herhaalt Lina. Ze houdt haar hand op haar hoofd, voor de zekerheid. Onder de tafel is het donkerder, maar niet eng. Het ruikt naar hout en koekjes.
Lina ziet een pootafdruk… nee, een handafdruk! In het stof. Klein. “Dat is van mij,” giechelt ze. “Ik ben mijn eigen spoor!”
Dan ziet ze een stukje rood achter een kussen op de bank. Lina loopt erheen. Ze tilt het kussen op met twee handen. “Eén, twee, til!”
Daar ligt Beer. Een beetje plat, alsof hij een dutje deed.
“Gevonden!” roept Lina.
Mama klapt zachtjes. “Wat was jouw slimste hint?”
Lina wijst. “Het rode pluisje. En de kruimels. Beer was bij het koekje.”
Papa zegt: “Beer is een koekjes-detective!”
Lina knuffelt Beer. “Volgende keer leg ik Beer op de plank,” zegt ze. “Dan raakt hij niet kwijt.”
Mama knikt. “Dat is voorzichtig. En als hij toch weg is, dan zoeken we samen.”
Lina glimlacht. De zaak is opgelost. De woonkamer is weer rustig. Beer ook.