In het kleine dorpje onder de oude eik woonde een jonge detective. Het was een grijze muis. Zijn naam was Pip. Pip hield van zoeken. Pip hield van vragen. Pip droeg een klein vergrootglas. Zijn huis was warm. Er lagen blokken en een warme deken.
Op een ochtend kwam Kroepoek de egel snel aanrennen. "Pip! Pip!" zei Kroepoek. "Iemand heeft mijn bril weggehaald!" Kroepoek sneed met een poot door de lucht. Hij keek verdrietig. "Ik kan niet lezen wie er belt."
Pip pakte zijn vergrootglas. "We gaan zoeken," zei hij zacht. "Samen." Dat vond Kroepoek fijn. Ze gingen naar de tuin.
Op de stoep lagen twee brillen. Eén bril was rood en rond. De andere bril was blauw en hoekig. Pip keek met zijn vergrootglas. Hij hield de brillen omhoog. "Hmm," zei hij. "We moeten uitzoeken welke bril van Kroepoek is."
Kroepoek keek naar de rode bril. "Die is te rond," zei hij. "Ik kijk er vaag doorheen." Kroepoek fronste. De blauwe bril lag op een steen. Een vlinder zat dichtbij en keek ook. "Misschien is er een aanwijzing," zei Pip.
Ze gingen naar de appelboom. Daar zat Miep de mus. Miep droeg altijd een kleine sjaal. "Heb jij iets gezien?" vroeg Pip. "Ik zag Twee Stippen op de poot van de rood bril," zei Miep. "Twee stippen van jam!" Ze gluurde. "En de blauwe bril heeft een veeg. Iemand heeft er met een poot over geveegd."
Pip noteerde. "Rood: jam. Blauw: veeg." Ze volgden voetsporen naar het prieeltje. Onder het bankje vonden ze kruimels van een koek. Daar zat Boris de konijn met koek in zijn bek. Boris keek schuldig. "Oh," zei hij. "Ik heb een koek gejat. Ik wilde delen."
Pip knipperde. "Delen is goed," zei hij. "Maar stelen is niet fijn." Boris slikte. "Ik wilde delen met Kroepoek. Zijn bril lag op de tafel. Ik pakte hem per ongeluk toen ik koek nam. En ik probeerde hem schoon te vegen." Boris wees naar de blauwe bril met de veeg. "Ik heb de blauwe bril gepakt."
Kroepoek haalde opgelucht adem. "Dan is de rode bril van mij," zei hij blij. Ze brachten de blauwe bril naar Boris. Boris zette hem op en zag meteen de koek op zijn knie. "Oh, wat stom!" zei hij en lachte. "Dank je wel."
Pip keek naar de rode bril. Op de poot zaten twee kleine jamvlekken. "Dat zijn Muisjesvlekken," zei Pip. "Kroepoek houdt van jam." Kroepoek lachte. "Ja! Dat is mijn bril."
Ze zaten op het bankje. Ze deelden de koek. Boris bood een stuk aan Kroepoek. "Sorry," zei hij zacht. Kroepoek nam het aan. "Dank je," zei hij. Ze lachten. De zon scheen. Alles was weer goed.
Pip legde zijn vergrootglas neer. "Goed zoeken en samen delen," zei hij. "Dat brengt alles weer in orde." Ze speelden in de tuin. De bril lag veilig op de tafel. De egel kon lezen. De vrienden waren blij.