Het is ochtend. De zon lacht. Drie jongens staan in de gang. Ze zijn vier jaar. Ze heten Bram, Sami en Noud. Ze zijn vrienden. Ze zijn kleine speurneuzen.
"Bram, hoor je dat?" fluistert Sami.
"Ja," zegt Bram. "Klop klop, tik tik."
"Wat is dat?" vraagt Noud. Zijn ogen zijn groot. Hij houdt zijn teddybeer vast.
Ze gaan buiten. Ze stappen zacht. Ze lopen naar de tuin. Het geluid is daar nog steeds. Klop klop, tik tik. Het klinkt heel zacht. Het klinkt heel vriendelijk.
"Misschien is het een vogel," zegt Bram.
"Of een egel," zegt Sami.
"Of een speelgoedauto," zegt Noud.
Ze zoeken samen. Ze kijken bij de struiken. Ze kijken bij de bloem. Ze kijken bij de schommel. Alles rustig. Alles stil. Alleen het geluid blijft.
"Luister," zegt Bram. Ze luisteren. Het ritme is klein. Klop klop, tik tik. Ze volgen het geluid met hun voeten. Stap. Stap. Stap.
Ze komen bij de achterdeur. Daar stopt het geluid even. "Hoor je het?" vraagt Sami zacht.
"Ja," zegt Noud. Hij legt zijn oor tegen de deur. "Klop klop, tik tik." Hij lacht. "Het komt van binnen."
Ze gaan naar binnen. Mama is in de keuken. Ze maakt boterhammen. "Wat doen jullie?" vraagt mama.
"We zoeken een geluid," zegt Bram. "Klop klop, tik tik."
Mama kijkt. Ze glimlacht. "Misschien is het de radio," zegt mama. "Of de klok."
"Kom mee," zegt Bram. "We maken een plan."
Ze maken een plan. Bram is hoofd-speurneus. Sami is notitie-held. Noud is vrolijke helper. Samen zijn ze sterk. Ze fluisteren zacht. Ze volgen het geluid nog een keer.
Klop klop, tik tik. Het klinkt nu van de gang. Ze gaan naar de gang. De hond Snoep ligt te slapen. Hij snurkt zacht. Maar het geluid is niet van Snoep. Ze kijken naar de kast. De kast staat open. Iets glinstert.
"Wat is dat?" vraagt Sami. Hij pakt een klein doosje. Het doosje tikt. Klop klop, tik tik. Ze zetten het op tafel. Ze kijken dicht. Het doosje beweegt.
"Misschien een klokje," zegt Bram. Hij draait het deksel. Binnenin zitten drie knikkers. Ze rollen en botsen. Klop klop, tik tik.
"Ah!" roept Noud. "Knikkers!" Hij lacht. De knikkers maken het geluid. Het kleine doosje schudt en dan tikt het.
"Wie heeft het doosje gemaakt?" vraagt mama. Ze plukt een kruimel van haar vingertop. "Misschien jullie kleine buurman."
Ze besluiten te vragen. Ze lopen naar de tuinpoort. Buurmeisje Lila speelt met blokken. "Mag ik helpen?" vraagt Bram.
"Ik zag het doosje," zegt Lila. "Ik leende het gisteren. Ik wilde er knikkers in doen. Ik zette het op de kast en het viel een beetje. Het tikt nu."
De jongens voelen zich blij. Ze voelden nieuwsgierigheid. Ze vonden samen de oplossing. Ze lachen.
"We lossen het op," zegt Sami. "We doen het doosje in een zacht zakje." Noud knikt. Bram brengt een doek. Ze leggen het doosje in de doek. Het tikt nog een beetje. Maar het is nu zacht en rustig.
Mama geeft elke jongen een boterham. Snoep krijgt een koekje. Iedereen is blij. Ze voelen zich trots. Ze hielpen elkaar. Ze waren kalm. Ze waren slim.
"Goed gedaan, speurneuzen," zegt mama. Ze knuffelt hen. De jongens lachen. Ze eten hun boterham. Het huis is stil. Alleen het zachte knikken van de knikkers blijft, als een vriendelijk liedje.
Ze spelen samen. De dag voelt veilig. De zon blijft lachen.