Lina is twee. Lina heeft kleine schoen. Lina lacht. Vandaag is het carnaval.
In de kamer ligt een doos. Mama doet hem open. Er glimt een rood pak. En een hoed met gele ster. “Voor Lina,” zegt mama. Lina klapt. “Mooi!” zegt Lina.
Papa zet muziek aan. Boem boem, tik tik. Lina wiebelt met haar heup. Mama zingt zacht. De lucht ruikt naar koek.
Buiten is het licht. Vlaggetjes dansen in de wind. Op straat staan mensen. Iedereen heeft kleur. Geel, groen, blauw. Er zijn belletjes die ting ting doen.
Lina houdt mama haar hand vast. De hand is warm. Lina voelt zich fijn.
Daar komt een wagen. Groot en rond. Er zitten bloemen op. Er draait een zon van papier. “Kijk, Lina,” zegt papa. Lina zegt: “Zon!”
Een man heeft een trom. Bom bom. Een vrouw heeft een fluit. Fieuw fieuw. Lina springt twee keer. Eén, twee. Ze lacht heel hard.
Een clown komt dichtbij. De clown heeft een neus, rood als een appel. De clown buigt. “Dag, Lina,” zegt de clown. Lina zegt: “Dag!” De clown geeft een kleine sticker. Een ster. Lina plakt hem op haar jas. “Dank je,” zegt Lina.
Dan waait er wind. Lina haar hoed gaat opzij. Oeps. Mama pakt de hoed snel. “Hier,” zegt mama. Lina zet hem weer op. “Goed,” zegt Lina. Alles is weer goed.
Er komt confetti. Kleine stukjes papier. Ze vallen zacht. Op Lina haar handen. Op haar wangen. Lina tikt ze weg en giechelt.
Bij de hoek is een kraam. Er is sap. Er zijn koekjes. Mama geeft Lina een klein koekje. “Mmm,” zegt Lina. Papa proost met een beker. “Op het feest,” zegt papa.
De stoet gaat verder. Lina loopt mee. Stap stap. De muziek blijft. De kleuren blijven. Lina zwaait naar iedereen. Iedereen zwaait terug.
Als de zon laag is, gaan ze naar huis. Mama draagt Lina even. Lina legt haar hoofd op mama haar schouder. “Nog muziek,” fluistert Lina. Papa zet thuis nog één liedje aan. Lina wiegt. Mama kust haar haar. Lina sluit haar ogen. Het is warm en zacht.
Samen feest maakt je hart blij.