Een klein schaap met glansvingers liep naar het plein. Hij had een kleurtje op zijn neus. De muziek begon: tatatata, tum-tum. Het plein kleurde rood, geel en blauw. Mensen lachten zacht. "Kom mee," zei het schaap. "Hop!"
Het schaap danst. Hij springt. Hop, hop. Zijn staart zwiert als een slinger. Iedereen klapt. Tac-tac, klap-klap. Er zijn bellen in de lucht. Plop, plop. Ballonnen zweven zacht. Een trommel zegt: bom bom bom.
Een meisje geeft een hoed. De hoed heeft veertjes. Het schaap zet de hoed op. "Jij bent mooi," zegt het meisje. Het schaap giechelt. Hee-hee. De zon glimlacht. De muziek speelt een vrolijk liedje. Tut-tut, fluit fluit.
Kleine lampjes gaan aan. Ze glinsteren als snoep. Het schaap deelt confetti. Confetti regent zacht. Pluim na pluim. Iedereen voelt warm. Een grote taart staat in het midden. Sluurps, zoet en zacht. Iedereen neemt een hap. Mmm.
Er komt een verrassing. Een pop springt uit een doos. "Hoi!" zegt de pop. Kinderen klappen en dansen. Het schaap draait rond. Zijn vinger glinstert en maakt kleine sterren. Sterretjes vallen niet op de grond. Ze kussen zacht de wang.
De dag wordt rustig. De muziek wordt zacht. Het schaap slaapt even op een deken. Hij droomt van nieuwe kleuren. De maan zegt welterusten.
Kleine blijheid deelt geluk met iedereen.