Lina was jong, maar ze kon al heel goed tellen. Eén, twee, drie. Drie stapjes naar de grote deur van het ruimteschip. De deur was rond en glansde als een zilveren koekje.
“Goedemorgen, Lina,” zei de zachte stem van het schip. “Klaar voor de reis?”
“Ja,” zei Lina. Ze glimlachte. Haar pak was wit met een klein blauw sterretje op de borst. Het voelde warm en veilig, als een dikke jas.
Naast haar stond haar robotvriendje Pip. Pip was klein en rond, met twee lampjes als ogen. “Piep,” zei Pip. Dat betekende: ik ben erbij.
Lina stapte naar binnen. Het rook een beetje naar schoon plastic en sinaasappel. In de cockpit waren knoppen, maar ook simpele plaatjes: een maan, een planeet, een huisje. Lina hield van plaatjes.
“Vandaag gaan we naar de Zachtster,” zei de stem. “Daar is een boodschap voor ons.”
“Een boodschap?” vroeg Lina.
“Ja,” zei de stem. “Er is een beetje spanning. Niet eng. Gewoon… druk.”
Pip maakte een zacht zoem-geluid. Lina legde haar hand op Pip. “We helpen,” zei ze.
Ze klikte haar gordel vast. Klik. Pip klikte ook vast. Klik.
“Start,” zei Lina.
“Start,” herhaalde de stem. “Drie… twee… één…”
Het schip trilde heel zacht, alsof het een kat was die spinde. Toen ging het omhoog, rustig en recht. Door het raam zag Lina de aarde kleiner worden, een blauw-groen balletje met witte wolken eromheen.
“Zo mooi,” fluisterde Lina.
“Zo mooi,” zei Pip, en zijn ooglampjes knipperden blij.
In de ruimte was het stil. Niet stil in Lina's hart, want daar zong het. Het schip gleed langs sterren. Sterren waren puntjes, en puntjes werden strepen als je snel ging.
“Lina,” zei de stem, “we naderen de Zachtster. We gaan langzaam.”
“Langzaam is fijn,” zei Lina. Ze hield van langzaam, want dan kon ze goed kijken.
Daar was de Zachtster: een grote, zachte gloed, niet fel, maar warm. Er zweefden kleine satellietjes omheen, als speelgoedbootjes op een vijver.
Op het scherm verscheen een eenvoudig plaatje: twee groepen lampjes, rood aan de ene kant, groen aan de andere kant. Tussen hen in een knipperende lijn.
“Wat betekent dat?” vroeg Lina.
“De Rode Lichtjes en de Groene Lichtjes praten door elkaar,” zei de stem. “Hun berichten botsen. Dan worden de berichten rommelig. Ze voelen zich niet gehoord.”
Lina fronste. “Zoals als Pip en ik tegelijk praten?”
“Precies,” zei de stem.
Pip zei: “Piep-piep,” en keek sorry.
“We kunnen om de beurt,” zei Lina. “Dan is het rustig.”
“Dat is het plan,” zei de stem. “We brengen een Vredesbaken. Het maakt een veilige, rustige beurt.”
Lina keek naar de kast. Er zat een doosje met een grote knop. Op het doosje stond een tekening van twee handen die elkaar vasthouden.
“Mag ik het doen?” vroeg Lina.
“Ja,” zei de stem. “Stap één: pak het baken. Stap twee: bevestig het op punt A. Stap drie: druk op de knop.”
“Dat kan ik,” zei Lina. Ze stond op, langzaam, zoals ze had geleerd. In een schip zweefde alles een beetje. Ze lachte toen haar voeten licht werden.
Pip zweefde naast haar, als een ballon. “Ik help,” zei Pip.
Ze gingen naar het kleine luik. Buiten was de ruimte donker, maar ook vol lichtpuntjes. Het luik ging open met een zachte zucht.
Lina klikte haar magneetschoentjes aan. Klik, klik. “Vast,” zei ze.
“Vast,” herhaalde Pip, en hij klikte ook.
Ze gingen naar buiten, niet ver, want het baken moest op een arm van het schip. De arm stak uit als een hand die iets wilde geven.
“Punt A,” zei de stem. Op Lina's vizier verscheen een blauw rondje. Daar moest het baken.
Lina hield het doosje stevig vast. Het was niet zwaar. Het voelde als een lunchdoos.
“Eerst vastmaken,” zei Lina. Ze zette het baken op het rondje. Het klikte. Klik.
“Goed zo,” zei de stem. “Nu de knop.”
Lina keek naar Pip. “Ben je er klaar voor?”
“Ja,” zei Pip. “Samen.”
Lina drukte op de knop. Het baken ging zachtjes aan, niet met harde flitsen, maar met een rustige adem: aan… uit… aan… uit. Het licht was paars, een vriendelijke kleur.
Op het scherm in de cockpit zag Lina de rode en groene lichtjes. Ze stopten met botsen. De knipperende lijn werd een rustige lijn. Eerst sprak rood. Toen groen. Om de beurt, netjes.
Er kwam een bericht, simpel en helder, met een klein geluidje dat leek op een belletje.
“Dank je,” zei een Rode Lichtjes-stem. “Ik wilde alleen zeggen dat ik ruimte nodig had.”
“Dank je,” zei een Groene Lichtjes-stem. “Ik wilde alleen zeggen dat ik ook ruimte nodig had.”
Lina knikte. “Iedereen heeft ruimte nodig,” zei ze zacht.
“En iedereen mag praten,” zei Pip.
“Om de beurt,” zei Lina.
“Om de beurt,” zei de stem van het schip, warm als thee.
De Rode Lichtjes en Groene Lichtjes stuurden samen een nieuw plaatje: twee cirkels die naast elkaar zweven, met een klein hartje ertussen. Lina voelde haar schouders ontspannen.
“Spanning weg,” zei Lina.
“Spanning weg,” zei Pip, en hij maakte een vrolijke zoem.
Ze gingen terug naar binnen. Het luik sloot zacht. In de cockpit werd het licht gedimd. Het schip zette koers naar huis.
“Is de weg veilig?” vroeg Lina.
“Ja,” zei de stem. “We vliegen door de Veilige Gang. Dat is een rustige route. Er zijn bakens, net als die van ons. Ze wijzen de weg.”
Lina keek uit het raam. Ze zag kleine lichtjes in een rij, als lantaarns in de nacht. Het voelde alsof de ruimte een vriendelijk pad had gemaakt.
Ze maakte een kleine lijst, want lijstjes maakten haar blij. “Eén: we luisterden. Twee: we deelden. Drie: we hielpen samen.”
“Dat is solidariteit,” zei de stem, heel rustig.
Lina leunde achterover. Pip rolde tegen haar arm aan. Het schip zoemde zacht, als een wiegelied.
De sterren gingen langzaam voorbij. Lina's ogen werden zwaar, maar haar hart was licht. Ze wist: zelfs in de grote ruimte kun je samen rustig worden, als je elkaar de beurt geeft.
En in de veilige gang, tussen de zachte bakens, vloog Lina naar huis.