In de verre toekomst vliegt Bram in zijn kleine, ronde ruimteschip. Het schip is wit met blauwe strepen. Het lijkt een beetje op een grote, vriendelijke walvis. Bram houdt van zijn schip. Hij noemt het Blub.
De sterren fonkelen buiten het raam. Ze lijken op kleine lampjes. Bram zegt zachtjes: “Dag sterren, ik ga op reis.” Hij glimlacht. Hij voelt zich rustig en blij. In zijn hand heeft hij een beker warme chocolademelk. Die ruikt lekker.
Bram heeft een belangrijke taak. Hij moet naar de grote ruimtestation, de Sterrenbasis. Daar wachten mensen op hem. Ze hebben iets nodig: een doos met planten. Die planten geven frisse lucht. Dat is goed voor iedereen. Bram weet: “Samen delen is fijn.”
Tijdens de reis tikt Bram zachtjes tegen het scherm. “Alles goed, Blub?” vraagt hij. Blub piept. Dat betekent: alles werkt. Bram lacht. “Goed zo, vriend.” Buiten zweven planeten in alle kleuren. Groen, rood, paars. Ze draaien rustig rond.
Plotseling hoort Bram een raar geluid. “Piep... piep... piep...” Het scherm knippert. Bram kijkt goed. Een knopje is rood. Dat betekent: er is iets mis. De motor doet een beetje vreemd. Bram schrikt, maar hij blijft kalm. Hij ademt diep in en uit. “Geen paniek,” zegt hij zachtjes.
Bram pakt zijn gereedschapskist. Die is geel met blauwe sterren erop. Hij zet zijn helm op. Dan drijft hij langzaam naar het motorhok. Alles zweeft een beetje, want er is geen zwaartekracht. Dat voelt grappig. Bram lacht. “Ik vlieg als een ballon!”
In het motorhok ziet Bram een los draadje. Het slingert heen en weer. Dat is niet goed. Zonder dat draadje kan Blub niet verder vliegen. Bram denkt even na. Dan zegt hij: “Eerst goed kijken. Dan rustig maken.” Met zijn handen pakt hij het draadje vast. Hij draait het voorzichtig weer vast. Klik! Het past precies.
Bram test de motor. Hij drukt op de knop. “Pieeep!” zegt de motor. Dan klinkt er een vrolijk gebrom. Alles werkt weer. Bram klapt in zijn handen. “Goed gedaan, Blub!” roept hij. Blub piept blij terug.
Bram vliegt verder. Buiten dansen de sterren. Hij denkt aan de planten in de doos. “Nu kunnen de mensen weer goed ademen,” zegt hij tevreden. Hij denkt ook aan zijn moeder. Zij zei altijd: “Zuinig zijn is slim, Bram. Gebruik alleen wat je nodig hebt.” Bram knikt. Hij zet de lampen iets zachter en drinkt zijn warme chocolademelk op.
Na een tijdje ziet Bram de grote Sterrenbasis. Het lijkt op een reusachtig ei met veel lichtjes. Bram praat tegen Blub: “We zijn er bijna, vriend.” Blub zoemt zachtjes. Bram stuurt het schip langzaam naar de ingang. Alles gebeurt rustig en precies.
Het schip stopt bij de deur van de basis, het grote, ronde sas. Bram wacht even. Dan hoort hij een zachte stem uit de luidspreker: “Welkom terug, Bram.” Het sas schuift open, heel langzaam. Binnen is het warm en licht. Mensen zwaaien naar Bram. Ze lachen en roepen: “Goed gedaan!”
Bram stapt uit Blub. Hij tilt de doos met planten voorzichtig naar buiten. Iedereen is blij. Ze geven Bram een zachte deken. Iemand zegt: “Knap gerepareerd, Bram!” Bram wordt een beetje rood. Hij lacht.
Bram kijkt nog één keer naar Blub. “Dankjewel, vriend,” fluistert hij. Samen gaan ze naar binnen. Het sas sluit zich zachtjes achter hen. Binnen is het veilig en rustig. Bram voelt zich blij en trots. Buiten twinkelen de sterren. Binnen is iedereen samen. Alles is goed.