Joris is een jonge man. Hij draagt een blauw pak. Zijn rugzak piept zacht. Vandaag gaat hij op reis naar de sterren. Hij voelt zich rustig. Hij ademt diep. "Ik kan dit," zegt hij.
Het ruimteschip glanst als een appel. De ramen zijn groot en rond. Buiten glijden sterren als lichtpuntjes. Binnen is het warm. Er klinkt zacht muziek. Joris kijkt naar de knoppen. Ze zijn kleurrijk en vriendelijk. Hij drukt op één knop. Het schip glimlacht en vliegt verder.
"Onze taak is belangrijk," zegt de stem van het schip. "We bewaren geheimen." Joris knikt. Hij begrijpt het. Sommige woorden moeten veilig blijven. Dat is moedig werk. Hij voelt zich trots.
Plotseling klopt het op de deur. Een kleine storm van stof zwiept langs de ramen. Waarschuwingslichtjes knipperen. "Een storing," zegt de stem. Joris loopt snel. Zijn stappen zijn rustig. Hij neemt zijn gereedschap uit de rugzak. Het gereedschap voelt warm in zijn hand. "Ik kijk," zegt hij zacht.
Hij kruipt in een smal gangetje. Het gangetje is kort en licht. Aan de wand hangen plaatjes met tekeningen. Er zit een klein ventiel vast. Joris draait eraan. Het klikje klinkt als een lach. Maar het probleem is niet weg. Het geluid van de storm wordt iets harder. Joris voelt een trilling. Zijn hart bonkt. Even is het spannend.
Hij denkt aan thuis. Hij denkt aan een kop warme soep en aan zijn kleine zusje dat lacht. Dat maakt hem kalm. Hij ademt. "Ik kan het," fluistert hij. Hij probeert een plan. Stap één: controleer de kabels. Stap twee: bescherm de berichten. Stap drie: maak de gang veilig.
Met zijn gereedschap wikkelt hij een zacht kussentje rond een broze kabel. Hij flikkert met een lichtje en telt. "Eén, twee, drie," zegt hij. Zijn handen werken langzaam en zeker. De storm buiten wordt stiller. De knipperende lampen worden groen.
Plots opent zich een scherm. Een zonnetje verschijnt op het scherm en zwaait. "Verbinding veilig," zegt de stem blij. Joris lacht. Hij voelt warmte in zijn borst. Hij is moedig geweest. Hij heeft gezorgd dat geheimen veilig blijven.
Het schip brengt hem naar een stille gang. Het is een veilige gang. Hij loopt erdoor, rustig en blij. De lucht ruikt naar zeep en sterren. Er is licht, maar niet te fel. Er zijn zachte stoelen en een venster met een klein plantje.
Joris gaat zitten. Hij kijkt naar de planten. Hij sluit zijn ogen een ogenblik. Hij ademt rustig. Het schip neuriet zacht. Buiten flonkeren de sterren. Binnen is het veilig. Joris voelt zich trots. Hij is thuis, even ver weg en toch veilig.