Lina is een klein meisje. Lina is één jaar oud. Vandaag is het carnaval in de stad. Overal zijn kleuren. Overal zijn ballonnen. Overal hoor je muziek. Lina lacht. Mama lacht. “Kijk, Lina,” zegt mama. “Zoveel mooie mensen!”
Lina draagt een groene hoed. Ze heeft een rood neusje. Haar jurk is geel met blauwe stippen. “Ik ben een clown!” roept Lina. Mama knikt. “Wat een mooie clown ben jij!”
Er is een wedstrijd. Wie heeft het leukste kostuum? Lina wil meedoen. Maar, oh! Haar hoed waait weg. “Hoed, kom terug!” roept Lina. De hoed rolt over straat. Een jongen met een leeuwenstaart rent. “Hier is je hoed, Lina!” zegt hij. Lina lacht. “Dank je, leeuwenvriend!”
Nu moet Lina dansen. Maar haar schoen is uit! “Mijn schoen!” roept Lina. Een meisje met vleugels vliegt bijna. Ze pakt de schoen. “Hier is je schoen, clown Lina!” zegt ze. “Dank je, fee-vriend!”
Lina danst. Lina springt. Muziek speelt. Ze zwaait naar haar vrienden. “Samen is het leuk!” roept Lina. Dan zegt de meneer met een hoge hoed: “En de winnaar is… clown Lina en haar vrienden!”
Lina klapt. Haar vrienden klappen ook. Samen lachen ze. Er zijn snoepjes. Er zijn ballonnen. Iedereen is blij.
“Carnaval is fijn,” zegt Lina. “Samen plezier maken is het allerleukst!” Mama knuffelt Lina. Lina lacht. Vandaag was een vrolijke dag.