In het bos loopt een Kleine Wolf. Zijn vacht is zacht. Zijn neus wiebelt. Het is bijna Halloween. De maan is rond. De sterren knipperen. Het ruikt naar pompoen en een beetje kaneel.
Kleine Wolf hoort iets. Tik. Tik. Fluister. Hij stopt. Hij luistert. Het klinkt niet boos. Het klinkt nieuwsgierig. Kleine Wolf ook. Hij volgt het geluid tussen de bomen. Blaadjes kietelen zijn pootjes. Een windje zegt whoe, maar heel zacht.
Tussen twee dennen ziet hij licht. Een rondje licht. Het danst. Het glanst. Het is een poort van licht. Niet heet. Niet koud. Gewoon… licht. Een beetje spannend, maar fijn.
“Hallo?” zegt Kleine Wolf. Zijn staart beweegt. “Ik ben Kleine Wolf.”
“Hallo!” piept een vleermuis. Ze hangt onder een tak. “Ik ben Flip. Dat is een lichtpoort. Hij hoort bijna dicht. Maar hij staat nog open.”
“En als hij open blijft,” hoemt een uil met warme ogen, “waait de nacht te lang. Dan wil het bos niet slapen.”
Een kleine pompoen rolt tevoorschijn. “Hatsjie!” Hij niest een glittersprietje. Kleine Wolf giechelt. Hij voelt zich dapper. Hij is nieuwsgierig. “Hoe doe ik de poort dicht?” vraagt hij.
“Zachtjes,” zegt Flip. “Poorten van licht houden van zachte dingen.”
“En van lieve woorden,” zegt de uil. “Luister eerst.”
Kleine Wolf gaat zitten. Hij legt zijn oren plat. De poort zegt wieee, wieee, als een liedje dat klaar is. Het klinkt moe.
Kleine Wolf knikt. “Ik snap het,” fluistert hij. Hij doet wat hij thuis doet met zijn dekentje. Hij geeft de rand van het licht een klein duwtje. Niet hard. Net genoeg. “Nacht, nacht, poortje licht,” zegt hij heel lief. “Tot morgen. Slaap maar dicht.”
De poort rilt. Het licht wordt zachter. Flip klapt met haar vleugels. De uil knippert blij. De pompoen niest nog één glittersprietje. “Hatsjie!” Kleine Wolf lacht. Hij duwt nog een beetje. “Nacht, nacht, poortje licht.”
Plop. De poort sluit als een kus op je neus. Het bos zucht. De wind wordt warm. De bladeren gaan liggen. Het is rustig.
“Goed gedaan,” zegt de uil. “Dapper en zacht.”
“En nieuwsgierig!” piept Flip.
De pompoen rolt tegen zijn poot. “Voor jou,” zegt hij. “Een klein lichtje.” Er blijft een warme glans op Kleine Wolfs neus.
Kleine Wolf holt naar zijn hol. De maan kijkt mee. Binnen is het knus. Mama Wolf wacht. “Ben je terug?” vraagt ze zacht.
“Ja,” fluistert Kleine Wolf. “De poort slaapt.”
“Mooi,” zegt Mama. Ze geeft een neus-kus. Ze legt hem in het nest. Mama trekt de deken omhoog. De nacht is lief. De sterren knipperen. Kleine Wolf sluit zijn ogen en glimlacht.