Er was eens een vrolijke stad. Het was carnaval! Iedereen was blij. De straten waren vol met kleuren. Rood, geel, groen en blauw!
Twee jongens, Tom en Sam, waren bijna vier jaar. Ze waren beste vrienden. "Kijk, Sam!" riep Tom. "Wat is dat?"
Tom zag een mysterieus masker. Het glinsterde in de zon. "Mag ik het proberen?" vroeg Tom. "Ja, natuurlijk!" zei Sam. Tom zette het masker op.
"Wow!" zei Tom. "Ik voel me speciaal!"
"Wat kan je doen?" vroeg Sam nieuwsgierig. Tom sprong en danste. "Ik kan springen als een kikker!" zei hij.
"Spring dan!" riep Sam. Tom sprong hoog. Hij sprong en sprong. "Kijk, ik ben een kikker!" lachte hij.
De jongens renden naar de straat. Daar waren muziek en dans. Mensen in mooie kostuums dansten. "HĂ©, kijk!" zei Sam. "Laten we meedoen!"
Ze dansten met de mensen. Tom met zijn kikker-maske, Sam met een hoed van sterren. "Dit is leuk!" riep Tom. "Ja, heel leuk!" zei Sam.
Ze zagen een grote praalwagen. Het was een kleurrijke wagen met ballonnen. "Laten we op de wagen klimmen!" zei Tom. "Ja!" zei Sam.
Ze klommen op de wagen. "We zijn de koning en de koning!" riep Tom. "Hoera voor carnaval!" zongen de jongens.
De mensen juichten en klapten. "Wat een geweldige dag!" zei Tom. "Ja, een dag vol plezier!" zei Sam.
Ze spraken met nieuwe vrienden. "Wat heb je aan?" vroeg een meisje. "Een kikker-maske!" zei Tom trots.
"Mooi!" zei het meisje. "Laten we samen spelen!"
De jongens dansten, sprongen en lachten. Het carnaval was vol magie.
"Dit is de beste dag ooit!" zei Sam. "Ja!" zei Tom.
En zo eindigde hun carnaval vol vreugde en plezier.