Hoofdstuk 1
Kleine Wolf is een jonge detective. Hij draagt een kleine hoed. Hij heeft een vergrootglas. Vandaag is er een mysterie in het dorpje. Iets glimt niet meer in de tuin van mevrouw Eekhoorn.
Kleine Wolf loopt zachtjes. Hij ruikt. "Hé," zegt hij, "wat ruik ik?" Het ruikt naar bloemen. En naar iets fris. Het ruikt naar zeep. Zeep! Dat is vreemd in een tuin.
"Kom mee," zegt Hijgend Hert. Hijgend Hert komt mee met een mand. "Misschien is het hier," zegt Hijgend Hert. Ze lopen naar de tuin. Kleine Wolf kijkt met zijn vergrootglas. Hij ziet voetsporen. Kleine voetjes en kleine pootjes. Ze zijn nat. Ze glimmen in de zon.
"Wie houdt van zeep?" vraagt Kleine Wolf. "Wie houdt van zingen?" vraagt Hijgend Hert. "Wie draagt een zeepparfum?" vraagt Kleine Wolf. Ze denken samen. Ze denken rustig. Ze denken luid. Ze denken: misschien de wasmachine? Misschien een vogel? Misschien een bezoeker?
Kleine Wolf noteert alles. Hij schrijft in zijn boekje. "Zeep," zegt hij zacht. "Nat," zegt hij zacht. "Voetjes," zegt hij zacht. Herhalen helpt hem rustig blijven. Herhalen helpt hem denken.
Hoofdstuk 2
Ze gaan naar de schuur. In de schuur staat een bak met water. Er liggen washandjes. "Aha," zegt Kleine Wolf. "Wasdag!" Mevrouw Eekhoorn lacht. "Ik was de kussens buiten," zegt ze. "Maar een kussen heeft zich losgemaakt."
Ze lopen verder. Bij de vijver vinden ze pluimpjes. Ze zien een klein konijn met zeep op zijn snuit. "Oeps," zegt Konijn. "Ik probeerde te proeven. Het ruikt zo fris." Konijn schudt zijn kop. Kleine druppels vliegen weg. Konijn lacht verlegen. "Sorry," zegt Konijn. "Ik wilde niet stelen."
"Geen probleem," zegt Kleine Wolf. "We zijn detectives. We lossen dit op." Hij glimlacht. Hij ademt diep. Hij ruikt weer die zeepgeur. Ze volgen de geur naar de achterdeur van mevrouw Eekhoorn. Daar ligt een kussen. Het glinstert. Het is nat en glanzend van zeep.
"Wie heeft het kussen gerold?" vraagt Hijgend Hert. Ze kijken rond. Een spoor van kleine pootjes leidt naar de boom. Onder de boom zitten alle dieren. Ze kijken schuldig of blij. Het is een klein feestje.
Mevrouw Eekhoorn klopt in haar handen. "Dank jullie," zegt ze. "Jullie hebben het kussen gevonden." Iedereen helpt het kussen terug te brengen. Ze kloppen het stof eruit. Ze lachen. Ze ruiken allemaal die frisse zeepgeur. Het voelt schoon en blij.
Kleine Wolf schrijft nog een keer in zijn boekje. "Gevoelig ruiken helpt," zegt hij. "Kijken helpt. Vragen helpt." Hij lacht en zegt: "Goed gedaan, team."
Aan het einde eten ze koekjes. Ze zitten samen. De zon zakt. Alles is rustig. Alles is veilig. Kleine Wolf legt zijn hoed neer. Hij fluistert: "Tot de volgende keer." Iedereen zwaait. De dag is opgelost en warm.