Op een zonnige ochtend zitten vier jongens samen in de zandbak. Dit zijn Sam, Finn, Lucas en Max. Ze hebben hun laarzen aan en hun neuzen zijn rood van het buitenspelen. De lucht ruikt fris. De vogels fluiten zachtjes.
Sam kijkt rond en ziet iets onder de glijbaan. “Wat ligt daar?” vraagt hij. “Kom mee kijken!” roept Max blij. Finn en Lucas rennen er samen naartoe. Ze zien een papier, netjes opgevouwen. Het lijkt wel een geheimpje.
“Wat zou het zijn?” fluistert Lucas. Sam is heel nieuwsgierig. Met kleine vingers pakt hij het papiertje op. Hij vouwt het voorzichtig open. Op het blaadje staat met grote blauwe letters: “Zoek de schat waar de bloemen staan!”
De jongens kijken elkaar aan. “Een speurtocht!” zegt Finn vrolijk. “Laten we samen zoeken!” Max knikt. Iedereen voelt zich een beetje een echte speurneus.
Ze lopen naar de bloembak naast het hek. De bloemen zijn geel, paars en rood. Bij de bloemen ligt nog een klein briefje, half verstopt onder een steen. Lucas vindt hem als eerste. “Hier is nog een papiertje!” roept hij. Ze vouwen het open.
Op dit briefje staat: “Volg de rode stenen tot de grote boom.” Ze kijken om zich heen. Max wijst naar de stoep. “Kijk, daar zijn rode stenen!” roept hij. Hand in hand lopen de vier jongens over de rode stenen. Ze tellen hardop: “Eén, twee, drie, vier, vijf…” Het is grappig om samen te tellen.
Bij de grote boom stoppen ze. De boom is dik en oud. Finn klopt zachtjes op de bast. “Zie je iets?” vraagt Sam. Lucas tuurt om de boom. Onder een wortel steekt iets uit. Het is een plastic doosje, gewikkeld in een servetje met stipjes.
Max maakt het doosje open. Binnenin zit… een glimlachende knuffelbeer! Om zijn nek hangt een kaartje. “Jullie hebben het gevonden!” staat erop. “Goed gedaan, speurders.”
De jongens lachen. Ze geven de knuffelbeer aan elkaar door. “Wie heeft dit verstopt?” vraagt Finn. Op dat moment komt juf Karin aanlopen. Ze glimlacht. “Wat zijn jullie goed aan het zoeken,” zegt ze lief.
“Hebt u de schat verstopt?” vraagt Max. Juf Karin knikt. “Ik vond dat jullie zo goed samen speelden. Jullie zijn goede vrienden. Daarom maakte ik een kleine speurtocht, speciaal voor jullie.”
Lucas knuffelt de beer. “Mag hij bij ons blijven?” vraagt hij. “Natuurlijk,” zegt juf Karin. “Maar de beer houdt van gezelschap. Willen jullie hem samen verzorgen?”
De jongens knikken allemaal. “We geven hem een naam!” zegt Finn. “Wat denken jullie van Beer Blij?” stelt Sam voor. Iedereen lacht en roept: “Beer Blij!”
Ze zetten Beer Blij in het midden van de zandbak. De jongens bouwen een zandkasteel voor hem. Ze maken een klein stoeltje van takjes. Samen geven ze Beer Blij een steentje als taartje.
“We hebben goed samengewerkt,” zegt Max. “Ja,” zegt Lucas. “En we hebben goed gekeken en geluisterd.” Finn knikt. “En niemand was boos of verdrietig. Dat is fijn.”
Sam kijkt naar zijn vrienden. Hij voelt zich gelukkig. Het oplossen van het raadsel was leuk, maar samen lachen en delen is het fijnst van alles.
Beer Blij zit zachtjes te glimlachen, midden in het zand. De jongens gaan dichterbij zitten. Ze vertellen elkaar grappen en maken gekke geluidjes. Af en toe knuffelen ze Beer Blij samen.
Juf Karin komt nog even kijken. “Ik ben trots op jullie,” zegt ze. “Jullie zoeken, delen en helpen elkaar. Dat is het allerbelangrijkste.”
De zon schijnt warm op hun haren. De lucht is blauw. Sam, Finn, Lucas en Max zijn tevreden. Alles is weer rustig en fijn. De speurders en hun nieuwe vriend Beer Blij zijn samen. En als er morgen weer een raadsel is, zijn ze er helemaal klaar voor.