Dokter Anna werkt in een groot, wit gebouw. Dit gebouw heet een kliniek. Anna is een dokter. Ze maakt mensen beter. Ze helpt grote mensen en kleine mensen, zoals jij!
Op een zonnige dag komt er een kind naar de kliniek. Het kind heet Sam. Sam hoest en niest. "Hatsjoe!" doet Sam. Anna lacht en zegt: "Laten we kijken hoe we je beter kunnen maken, Sam."
Anna heeft een grote tas. In die tas zitten tools. Ze heeft een stethoscoop. Dat is een ding waarmee Anna naar je hart kan luisteren. Ze zegt: "Adem in, Sam." Sam ademt in. "Adem uit, Sam." Sam ademt uit. Anna luistert heel goed.
Dan komt er iets spannends. Een meneer in de kliniek voelt zich niet goed. Iedereen rent. Anna blijft kalm. Ze zegt: "Laten we samenwerken." Anna vraagt een collega om te helpen. Samen zorgen ze voor de meneer. Anna is slim en snel. Ze maakt een plan. De meneer voelt zich al gauw beter.
Sam kijkt naar Anna. "Jij bent een goede dokter," zegt Sam. Anna lacht weer en zegt: "Dank je, Sam! Samenwerken is belangrijk."
Na een drukke dag gaat Anna naar huis. Ze is blij. Ze heeft veel mensen geholpen. Het is fijn om dokter te zijn. Anna houdt van haar werk. Ze helpt mensen en maakt ze beter. Dat maakt Anna blij.
En daar eindigt de dag. Sam en de meneer gaan naar huis met een glimlach. Anna zwaait hen uit. "Tot de volgende keer!" zegt ze. Het is een mooie dag geweest in de kliniek.