Drie kleine jongens zitten samen in een grote, zachte grot. De grot glanst. Kristallen schitteren op de muur. Alles klinkt zacht. Zacht en rustig.
De jongens luisteren. Adem in, adem uit. Eén adem, twee adem. Bij elke adem komt er een ster. Een kleine ster in de grot. De sterren twinkelen zacht.
De jongens tellen samen. Eén ster, twee sterren, drie sterren. Ze lachen zacht. De lucht ruikt fris. Een windje komt binnen. Het windje fluistert: “Hallo, lieve jongens. Adem rustig in. Adem rustig uit.”
De jongens ademen samen. Hun buiken gaan omhoog en omlaag. Het windje waait zacht rond. Het zingt een wiegenlied. “Het is nacht. De sterren zijn hier. Jullie zijn veilig.”
Een kleine jongen vindt een schelp. De schelp fluistert: “Ssshhh, de zee slaapt.” De jongens luisteren. Hun ogen worden zwaar.
Dan komt er een warme knuffel. Niet te zien, maar heel echt. De knuffel voelt zacht en lief. Hij houdt de drie jongens bij elkaar.
De sterren blijven waken. Ze bewegen langzaam aan het plafond. De grot is stil. De adem is rustig. De jongens dromen zacht. De nacht is lief. De jongens zijn lief. De sterren blijven, tot de zon weer komt.