Kleine Tim was heel blij. Het was tijd voor het carnaval! Hij had een mooie hoed op. En een rode neus. "Ik ben een clown!" zei Tim.
De zon scheen en de lucht was blauw. Overal waren kleuren. Grote ballonnen, kleine ballonnen, rode ballonnen, blauwe ballonnen. Tim lachte. "Kijk, mama! Kijk al die ballonnen!"
Mama zwaaide naar Tim. "Ja, Tim. Het is carnaval. Laten we gaan dansen!" zei mama.
Tim en mama gingen naar de straat. Daar was het druk. Mensen dansten en zongen. Er waren trommels en fluiten. Tim tikte op zijn buik. "Boem, boem!" zei hij. Hij vond het leuk.
Plotseling zag Tim iets speciaals. Een grote, glinsterende vlinder vloog voorbij. "Wauw!" zei Tim. Hij wees naar de vlinder. "Mama, kijk! Een vlinder!"
De vlinder draaide rond en vloog naar Tim. "Hallo, Tim," zei de vlinder. "Wil je me helpen?"
Tim knikte. "Ja, vlinder. Wat moet ik doen?"
De vlinder lachte. "Ik ben mijn kleur verloren. Kun jij kleuren vinden voor mij?"
Tim klapte in zijn handen. "Ja, ja! Kleuren zoeken!" riep hij.
Tim keek om zich heen. Daar was een rode ballon. "Rood voor de vlinder!" zei Tim. Hij gaf de rode ballon aan de vlinder.
De vlinder werd een beetje rood. "Dank je, Tim!" zei de vlinder.
"Nu blauw," zei Tim. Hij vond een blauwe hoed. "Blauw voor de vlinder!" zei hij.
De vlinder werd een beetje blauw. "Dank je, Tim!" zei de vlinder weer.
Tim lachte. "En geel," zei hij. Hij vond een gele bloem. "Geel voor de vlinder!" zei hij.
De vlinder werd geel. "Oh, Tim, je hebt het gedaan!" zei de vlinder blij.
Tim was trots. "Kijk, mama! De vlinder is mooi!"
Mama knuffelde Tim. "Ja, Tim. Jij bent een goede vriend."
Tim zwaaide naar de vlinder. "Dag, vlinder!" zei hij.
De vlinder vloog weg, glinsterend en vrolijk. Tim danste verder. Het carnaval was magisch. En Tim voelde zich gelukkig.