In het vrolijke circus, met kleuren en licht, waren er veel lachende kinderen. “Kijk!” zei een meisje. “Een acrobaat!” De acrobaat, een jongen met een grote hoed, sprong hoog in de lucht. “Hoppakee!” riep hij. De kinderen lachten en klapten in hun handen.
“Wil je ook springen?” vroeg de acrobaat. “Ja!” gilden de kinderen. Ze sprongen samen, hoog en laag. “Hoppakee!” zeiden ze weer. De acrobaat lachte en maakte een draai.
De clown kwam langs. “Wat een feest!” zei hij, terwijl hij zijn grote neus liet zien. “Ik heb ballonnen!” De kinderen juichten. “Ballonnen!” riepen ze blij.
Ze renden naar de clown. “Ik wil een groene!” zei een jongen. “Ik wil een rode!” zei een meisje. De clown blies ballonnen, groot en klein. “Hoppakee!” zei hij. De kinderen lachten en dansten.
Het circus was vol vreugde. “Wat een leuke dag!” zeiden de kinderen. Samen sprongen ze en lachten ze. “Nog een keer!” vroegen ze. “Hoppakee!” zei de acrobaat. En zo sprongen ze verder, met een glimlach op hun gezicht.