Mila, Noor, Finn en Bo gaan naar het circus. De tent is rood en geel. Er ruikt popcorn. Het licht danst.
In de piste zwaait een clown. Hij heeft een piepneus. “Piep!” zegt de neus. De kinderen giechelen. “Ooooh,” zegt Noor.
Achter het gordijn is het ook druk. Daar staan hoeden, ballen en een grote kist. Mila tikt op de kist. “Wat zit daar?” zegt ze.
“Een duif,” zegt Finn.
“Een taart,” zegt Bo.
De kist gaat open. Plof! Er komt… een stapel sokken uit. Lange sokken, korte sokken, stip sokken. De sokken rollen over de vloer. “Hahaha!” zegt Bo.
Een circusman komt snel. Hij lacht ook. “Oeps! Dat zijn mijn jongleer-sokken,” zegt hij. “Ik jongleer met sokken. Kijk!”
Hij gooit drie sokken hoog. Flap, flap, flap. Noor klapt. Finn klapt. Mila klapt. Bo klapt ook, met snelle handen.
Dan komt een ezel met een hoed. De ezel loopt zacht. De hoed wiebelt. De clown fluistert: “Stil, de hoed slaapt.” De kinderen doen stil. De ezel niest: “Hatsjie!” De hoed springt omhoog. Uit de hoed komt een kleine vlag: PLOP! “Ooooh!” zeggen ze. Dan lachen ze weer. “Hahaha!”
Bo rijdt mee naar de rand van de piste. De clown rolt een bal naar Bo. Bo duwt de bal terug. De bal rolt, rolt, rolt… recht in een emmer bellen. POP! Overal bellen! De clown krijgt een bel op zijn neus. “Piep!” doet de neus weer.
Na de show krijgen de kinderen een mini-ster. De circusman zegt: “Jullie waren top publiek.”
Moraal: Samen lachen en helpen maakt elke kleine oeps weer fijn.