Er was eens een kleine jongen, een vrolijke vierjarige. Hij hield van de circus. Op een dag ging hij naar het circus. Hij zag clowns, acrobaten en een grote, kleurrijke tent.
“Wauw!” riep hij. “Wat een leuk circus!”
Maar er was een probleem. De magiër kon zijn truc niet doen. De hoed van de magiër was verdwenen! De jongen kwam dichterbij. “Kan ik helpen?” vroeg hij.
De magiër keek verdrietig. “Ja, als je de hoed vindt, kan ik magie doen!” zei hij met een zucht.
De jongen knikte. “Ik ga zoeken!” Hij ging rond de circus tent.
Eerst keek hij bij de clowns. “Hebben jullie de hoed van de magiër gezien?” vroeg hij. De clowns lachten en schudden hun hoofd. “Nee, maar kijk in de jongleur zijn koffer!” zei de clown met de rode neus.
De jongen rennende naar de jongleur. “Heb jij de hoed?” vroeg hij. De jongleur gooide kleurrijke ballen in de lucht. “Nee, maar kijk bij de grote leeuw!” riep hij.
De jongen liep naar de leeuw. De leeuw lag te slapen. “Heb jij de hoed?” vroeg hij zachtjes. Maar de leeuw snurkte alleen maar.
De jongen dacht na. “Waar kan de hoed zijn?” Plotseling viel er iets op zijn hoofd. Het was de hoed! De jongen lachte en riep: “Ik heb de hoed!”
Hij rende terug naar de magiër. “Hier is je hoed!” zei hij blij. De magiër zette de hoed op zijn hoofd. “Dank je wel!” zei hij. “Kijk, nu kan ik magie doen!”
De magiër zwaaide met zijn hand. “Abracadabra!” en de circusdieren dansten. Iedereen klapte in zijn handen. De jongen lachte en danste mee.
Het circus was weer vrolijk. De jongen was een held. “Dit was het leukste circus ooit!” riep hij. En zo eindigde een geweldige dag vol magie en plezier.