Luna, Tom en Sam spelen samen. Ze zijn beste vrienden. Ze lachen en rennen in het park. De zon schijnt. Het gras is groen.
“Wat een mooie dag!” zegt Luna. “Ja!” zegt Tom. “Laten we spelen!”
Ze spelen met een bal. De bal rolt weg. “O nee!” roept Sam. “De bal is weg!”
“Geen zorgen,” zegt Luna. “We zoeken samen!”
Ze kijken onder de bomen. Ze kijken achter de struiken. “Waar is de bal?” vraagt Tom.
“Daar!” roept Sam. De bal ligt onder een boom. Ze lachen en rennen naar de bal.
“Goed gedaan, Sam!” zegt Luna. “Jij vond de bal!”
“Dank je!” zegt Sam. “Maar we zijn samen sterk!”
Ze spelen weer met de bal. Ze gooien, vangen en lachen. “Dit is leuk!” zegt Tom.
“Ja, heel leuk!” zegt Luna. “Vriendschap is geweldig!”
Na het spelen zijn ze moe. Ze zitten op een bankje. “Kijk naar de lucht,” zegt Sam. “Die wolken zijn mooi.”
“Ja, ze zijn als suikerwolken,” zegt Tom.
“Vriendschap is als een wolk,” zegt Luna. “Het maakt ons blij.”
“Ja!” zeggen Tom en Sam. “Vriendschap is fijn!”
Ze delen hun snacks. “Ik heb een koekje,” zegt Tom. “Wil je ook een stuk?”
“Ja, graag!” zeggen Luna en Sam. “Dank je, Tom!”
“Vriendschap is delen,” zegt Luna.
“En samen spelen,” zegt Sam.
De zon gaat onder. “Wat een mooie dag,” zegt Tom. “Ja!” zeggen Luna en Sam. “We zijn beste vrienden.”
Ze omarmen elkaar. “Tot morgen!” zeggen ze.
Vriendschap is speciaal. Vriendschap maakt ons blij. Vriendschap is een schat.