Muis Mila loopt zachtjes door het gras. âDag zon,â piept Mila. Plots hoort Mila een klein geluidje. âPiep, piep!â Wie is dat? Daar zit een klein konijntje. âHallo,â zegt Mila. âHallo,â zegt het konijntje. Ze kijken elkaar aan. Mila lacht. Het konijntje lacht ook.
Mila en het konijntje lopen samen. Ze springen over blaadjes. Ze delen een stukje appel. âLekker!â zegt Mila. âSamen spelen is fijn,â zegt het konijntje. De zon schijnt warm. Ze voelen zich blij.
Dan struikelt het konijntje. âAu!' zegt het konijntje. Mila helpt zachtjes. âGeeft niet,â zegt Mila. âIk ben hier.â Het konijntje glimlacht. Samen zijn ze sterk. Vriendjes helpen altijd. Mila en het konijntje zijn blij. Vriendjes zijn lief.